Levenswijsheid

Elf grondregels voor een verrukkelijke relatie

Paasgroet
Ik hoef mij niet te jachten ...
Dat begrensde ik ...
Zonde en schuld
Zelfkennis
Israël en Gaza
Christenen, moslims en Jesaja
Levenswijsheid in tijden van crisis
Het is ons licht, niet onze duisternis
Wat gij niet wilt dat u geschiedt ...
De toonhoogte van de ziel
Waarom maken wij het onszelf vaak zo moeilijk?
Min de stilte met uw wezen
Nieuw inzicht, wat is blijvend?
Geen komen geen gaan
De natuurlijke neiging tot onverdraagzaamheid ...
Prof. Dr. Witteveen, een bezielde visie: Soefisme en economie opnieuw bezien
Het recht op geluk
Wees jezelf, er zijn al zoveel anderen.....
Een gezegend kerstfeest wat u ook gelooft
Het leven vieren met liefde en licht
"Geloven voorbij grenzen", Manuela Kalsky
Twisten en gesteggel
Tien jaar na 11 september
Twijfel en standvastigheid
Vakantie
Er is veel lijden in een mensenleven
Er is één godsdienst
Jezus droom van een betere samenleving
Tijd maken ...
Het is de aarde die drijft ...
Richtlijn ter overdenking
De kijk op lijden, volgens de Dalai Lama
Ja
'Geduld' door Pablo Neruda
Preek Franciscus viering
Credo
Ga!
Uitspraak van kerkvader Augustinus
Gebed voor God
Vertrouwen
Iedereen heeft iets te geven
Als dat wat toeval lijkt je dreigt te vellen
Leed onder ogen zien
Woede en Haat
Efeziërs 5 vers 8-14
Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen last
Het Onze Vader vertaalt uit het Aramees
Problemen
Besef hoe rijk je bent
Over lijden en Job
Tao van Poeh, van Benjamin Hart
Uit 'De Meesters van het Verre Oosten'
Uit 'Jezus Sirach'

Elf grondregels voor een verrukkelijke relatie

1. Houd onvoorwaardelijk van jezelf en leer jezelf altijd en overal liefde te geven. Wees daarin niet afhankelijk van anderen.

2. Hanteer duidelijke grenzen in de omgang met de ander en gebruik de triggers in je relatie als een kans om verder te gaan met de genezing van je diepste overtuigingen en verwondingen.

3. Wees bereid tot intimiteit. Neem voordat je een nieuwe relatie begint tijd om te rouwen om het einde van de vorige relatie en een aantal patronen en vormen van zelfverloochening te genezen.

4. Zorg dat je zeker weet dat je deze relatie echt wilt. En als dat zo is: maak er dan je eerste prioriteit van. Veel mensen zeggen dat ze dat doen, maar houden zichzelf voor de gek. Dus vraag je af: Is mijn werk mijn prioriteit, of zijn het mijn kinderen, of is het de zorg voor mijn ouders? Wees eerlijk. Bouw de mislukking niet al tevoren in. Als je relatie pas na alle andere verplichtingen komt, leidt dat niet tot de intimiteit waar we het hier over hebben. Je kunt jezelf maar beter een realistisch doel stellen.

5. Haast je niet. Neem de tijd en heb geduld. Vertrouw op het genezingsproces en weet dat je, als je voldoende voeling hebt met je diepste ik, een partner zult aantrekken die jou helpt groeien en met wie je de volgende stap van je ontwikkeling kunt zetten.

6. Laat het romantische ideaal varen. Als je je soulmate wilt aantrekken, moet je beseffen dat zij/hij elk miniem gevoel van minderwaardigheid en twijfel omhoog zal halen, zodat je kunt genezen en je eigen kracht en levensdoel vinden. Het is niet verstandig om op zoek te gaan naar je soulmate als je eigenlijk op zoek bent naar een gemakkelijke relatie die je ego niet aantast.

7. Ontwikkel een gezamenlijke visie of ideaal. Zorg dat je hetzelfde doel nastreeft binnen je relatie en wees eensgezind over de weg die je wilt bewandelen om dat doel te bereiken.

8. Beschouw de behoeften en gevoelens van je partner als even belangrijk als de jouw. Veel mensen denken dat ze dat doen, maar slechts weinigen doen het ook echt. Dit is een van de uitdagingen van een vaste relatie.

9. Wees monogaam. Het is weliswaar niet onmogelijk om je volledig en met alle chakra’s met meer dan een persoon te verbinden, maar het is buitengewoon onwaarschijnlijk dat dat goed gaat en dus onverstandig om het te proberen. Anderzijds: iedereen moet trouw zijn aan zichzelf. Mocht je intiem zijn met meer dan één partner, wees daar dan zo nodig eerlijk en volkomen open over.

10. Vermijd beschuldigende vingers en verwijten. Elke poging in die richting komt voort uit angst en maakt vertrouwen dat jullie in elkaar hebben kapot. Je bouwt alleen een succesvolle relatie op door elkaar lief te hebben en te accepteren.

11. Geef de relatie de tijd en de aandacht die hij nodig heeft. Voor een verrukkelijke relatie heb je dagelijks openhartige communicatie nodig. Je moet plezier met elkaar kunnen maken, blij zijn, eerlijk zijn en jezelf goed kennen.

Fragment uit: Heel je leven. Een programma in 12 stappen.
Auteur: Paul Ferrini.
Uitgeverij: Ankh Hermes.
ISBN: 978-90-2020-843-6

Terug naar boven, datum plaatsing: 8 april 2013

Paasgroet

Aan de voet van het kruis van Jezus ervaren we dat hemel en aarde elkaar raken. Het is geen harmonieuze omhelzing, het is een botsing, een confrontatie. Want het is de Rechtvaardige die aan het kruis hangt. Aan de voet van het kruis zijn alle maskers gevallen en is het duidelijk geworden waar onze loyaliteiten werkelijk liggen. En die liggen niet bij God en Gods’ droom en belofte van een leven in vrijheid om lief te hebben. Aan de voet van het kruis wordt het duidelijk hoe diep het kwaad is doorgedrongen in het hart van onze wereld en in onze eigen hart als een gif dat dood en vernietiging veroorzaakt. Duisternis is over het hele land gevallen, lezen we in de evangeliën. In het slachtoffer op het kruis spreekt er een stem ons toe. Het is een stem die ons ter verantwoording roept: wat is er met de wereld aan de hand? Wat is er met de mens aan de hand?

Het kruis stelt de fundamentele vragen: wie is God? Wie is de mens? Wat is de zin van de wereld? Is er een hemel? Om nog een beeld uit het lijdensverhaal te gebruiken: het zijn vragen die een aardbeving veroorzaken. De dood van de Rechtvaardige is een schok die de aarde op haar fundamenten doet beven. Vooral de vraag naar God is niet ontwijken. Het gaat daarbij niet om het al dan niet overtuigd zijn van het bestaan van een Opperwezen dat ergens in een of andere hemel zou tronen en over de mensen zou heersen. Dat is niet het godsbeeld van de lijdensverhalen. God is allerminst een of andere filosofische mogelijkheid, God is deze concrete man aan het kruis. God is in het eenzame roepen van dit slachtoffer, zoals God in de eenzaamheid van alle slachtoffers is. Wie hiervoor openstaat, begrijpt dat God niet neutraal is, maar een interesse heeft: een interesse in de vraag wat mensen van hun vrijheid om lief te hebben uiteindelijk terecht brengen. Wie is God? God toont zich daar waar er oprechte liefde is. Wie is de mens? De mens komt daar tot zijn en haar recht waar er oprechte liefde is.

Liefhebben is het anders-zijn van een ander de nodige ruimte geven en er vreugde in vinden. Liefde is ruimte scheppen. Kwaad is ruimte vernietigen en iedereen en alles herleiden tot eigen standaards en overtuigingen. Daarom is liefde de weg om God op het spoor te komen en kwaad de oorzaak van isolement en angst.

Angst speelt ene belangrijke rol bij Jezus’ leerlingen. Een van de meest herhaalde ‘geboden’ in de evangeliën is: Wees niet bang. “Wees niet bang”, zegt de engel tot de vrouwen die vaststellen dat de dode Jezus die ze willen eren niet in het graf te vinden is. “Ik weet dat jullie Jezus zoeken, de gekruisigde, hij is niet hier(…)Gaat terstond aan de leerlingen zeggen: Hij is verrezen van de doden, en nu gaat hij u voor naar Galilea, daar zult je hem zien.” (Matheus 28, 5-6) Hij gaat ons voor naar Galilea: de plek waar de uitdaging van het liefhebben op ons wacht. Hij gaat ons voor naar de slachtoffers van oorlog en onderdrukking, naar allen die te lijden hebben, naar onze landen en steden,naar onze samenleving, naar onze partner en onze kinderen, naar het zuiden van de wereld en naar de asielzoekers en vluchtelingen in ons eigen land…Hij gaat ons voor opdat het nooit nog zo zou zijn dat een Rechtvaardige gekruisigd wordt. Hij gaat ons voor opdat we geen masker meer zouden dragen maar onze vrijheid ter harte zouden nemen: onze vrijheid om lief te hebben.

Hij gaat ons en wij zullen het ervaren: Christus is verrezen!

Joris Vercammen, oud-katholiek Aartsbisschop van Utrecht.

Terug naar boven, datum plaatsing: 30 maart 2013

Ik hoef mij niet te jachten ...

Psalm 23

De Heer bepaalt het tempo van mijn werk,
ik behoef me niet te jachten.
Altijd weer schenkt Hij mij een moment van stilte,
een adempauze, waarin ik tot mezelf kan komen.
Hij roept dan voor mijn ziel beelden op,
die mij tot rust doen komen en kalmte geven.
Vaak zorgt Hij, dat mij zonder inspanning iets gelukt
en ik kijk er zelf blij verrast van op
hoe vol vertrouwen ik dan kan zijn.
Ik merk wel: het hart kent slechts rust
als men aan deze Heer vertrouwen schenkt.
Al heb ik het veel te druk toch is het niet nodig
dat ik mijn innerlijke vrede kwijtraak.
Elk uur en in alle dingen is Hij aanwezig
en daarom verdwijnt de dreiging van al het andere.
Midden in het leven
doet Hij mij iets ervaren, dat moedgevend is.
Dan is het alsof iemand mij een verfrissing aanbiedt
en ineens is daar de innerlijke vrede
en diepe zekerheid geborgen te zijn.
Ik voel dan dat mijn kracht toeneemt,
dat ik mijn evenwicht herwin
en ik mijn dagelijkse werk weer met succes aankan.
Daarenboven is het heerlijk om te weten
dat ik wandel in het voetspoor van de Eeuwige
en dat voor nu en altijd
bij hem mijn thuis is.

(Vertaling door de Japanse dichteres Toko Miyaschina)

Terug naar boven, datum plaatsing: 29 maart 2013

Dat begrensde ik ...

Zoveel kleine splintertjes van het eigen ik, die de weg versperren naar ruimere gebieden.
Dat begrensde ik, met zijn wensen die alleen op bevrediging van dat hoogst beperkte ik uit zijn, uitroeien en uitdoven.

Uit “Het verstoorde leven”
Dagboek van Etty Hillesum, 1941-1943,
Auteur: Etty Hillesum,
Uitgeverij: De Haan, Bussum,
ISBN: 9022835723.

Terug naar boven, datum plaatsing: 11 maart 2013

Zonde en schuld

Overweging bij psalm 51 – Dominicuskerk Amsterdam 10-03-2013

1.
Het is niet niks, wat ons hier vandaag in psalm 51 wordt uitgestort aan gevoelens van zonde en schuld die zich hebben vastgezet tot in het binnenste van het ik, zijn geworteld in alle vezels van lichaam en geest. Zelfs vanaf het allervroegste begin in de moederschoot weet het ik zich schuldig. Lazen we hier twee weken geleden nog psalm 139, waarin de psalmist zich beschermd en gedragen weet door een zorgzame blik, nu is het de oordelende blik van de Ander, die de ik-figuur zich eigen maakt en hem doet uitroepen: O, mijn God, wat heb ik gedaan? Wees mij genadig!
Op deze manier schuld erkennen en vragen om vergeving, dat lijken wij psychologisch en maatschappelijk niet meer te kunnen. Filosoof des vaderlands Hans Achterhuis beantwoordde laatst in Trouw de vraag of naar zijn idee in Nederland een waarheids- en verzoeningscommissie goed werk zou kunnen doen, naar Zuid-Afrikaans model, bijvoorbeeld om schuldigen en slachtoffers van de financiële crisis weer nader tot elkaar te brengen. Onmogelijk, zei hij. We zeggen wel dat iets ons spijt, maar gaan daarna snel over tot de orde van de dag. We leven in een sorry-cultuur. Een fout erkennen is onderdeel geworden van een strategie, gericht op versterking van het ego, niet op herstel van gemeenschap.

2.
De boetepsalm van vandaag stelt hier iets heel anders tegenover. Het is een gepassioneerd gebed om vergeving, om schoonwassing van een schuld die je aankleeft als een besmetting. Wat is er aan de hand? Koning David heeft vanuit zijn machtspositie, letterlijk vanaf het dak van zijn paleis, zijn begerig oog laten vallen op de mooie Batseba, de vrouw van zijn veldheer Uria, die aan het front voor hem, David, aan het vechten was, terwijl hij zich in luxe wentelde. Hij had de verleiding niet kunnen weerstaan, Batseba bij zich laten komen en met haar het bed gedeeld. Als blijkt dat zij zwanger is, probeert David eerst te voorkomen dat hij zelf als de vader wordt gezien. Als dat niet lukt, laat hij Uria omkomen in de strijd. Zo kan zijn zonde verborgen blijven en het bedrog voortduren. Totdat de profeet Nathan bij hem komt en hem een verhaal vertelt over een rijke en een arme man. Toen de rijke een gast op bezoek kreeg, kon hij het niet over zijn hart verkrijgen om ook maar iets van zijn bezit aan schapen en runderen aan die gast voor te zetten en beroofde hij de arme man van het enige lammetje dat hij bezat. David hoort het verhaal aan en maakt zich kwaad over dit onrecht. Pas als Nathan hem voorhoudt dat hij, David zelf, die rijke man is, dat hij zelf degene is die grote fouten heeft begaan in de ogen van God, pas dan keert hij terug op zijn schreden. De profeet moest de koning eerst een spiegel voorhouden, hem via de omweg van een gelijkenis naar zichzelf leren kijken. Zo komt David tot het inzicht dat het bedrog niet langer kan. Hij stort zijn hart uit in zelfbeklag en berouw. Eindelijk kan er een begin komen aan de bevrijding van de schuld die hem beklemde.

3.
Wat de psalmist bedoelt met zonde en schuld wordt nu iets duidelijker. Zonde – omdat er schade is toegebracht aan een goedheid die er eerst was en waarmee een inbreuk is gepleegd in de relatie tot God: “Ik heb gedaan wat slecht is in uw ogen”. Maar ook schuld: een mens is gedood en ik heb het gedaan; het weefsel van menselijke betrekkingen heb ik beschadigd, het is mij aan te rekenen. De ik-figuur in de psalm velt zelf het oordeel en weet ook dat hij dat doet: “Ik ben mij van mijn zonden bewust”.
Het verhaal maakt ook duidelijk dat zonde en schuld rechtstreeks te maken hebben met onze relaties tot andere mensen. In de psalm staat weliswaar: “Tegen u, tegen u alleen heb ik gezondigd”. Maar dat is alleen maar zo omdat die zonde inging tegen de geest en de liefde die mensen samenbindt, tegen de genade die er eerst was: dat we leven in een gemeenschap, in een evenwicht van relaties en posities en in trouw aan elkaar.
Het belangrijkst is misschien: het verhaal maakt voelbaar hoe moeilijk het is om schuld werkelijk onder ogen te zien. De koning heeft de profeet echt nodig, de stem van de ander of van het geweten, de stem die het harnas van het eigen gelijk doorbreekt. Het is mooi om te zien hoe dat gaat: Nathan laat het David bijna zelf ontdekken, hij oordeelt niet rechtstreeks, hij brengt hem tot inzicht, als een vriend, via het onderscheid tussen de arme en de rijke dat zichtbaar maakt wat waar is en wat niet. Maar daarmee is het nog niet minder pijnlijk. In het verhaal trekt David zich terug in zijn slaapvertrek, hij werpt zich op de grond en bidt en huilt van ellende.

4.
Is dat niet wat ons het meeste stoort in de manier waarop wij tegenwoordig met schuld omgaan: dat het te gemakkelijk gaat? Er is vaak wel het bewustzijn van een fout, er wordt ook wel van alles opgebiecht, maar waar is het stadium gebleven dat daar in de traditie tussen zat, het stadium van het berouw? De pijnlijke stilte waarin de schuld ook werkelijk wordt gevoeld, voorafgaand aan de woorden; waarin je niet alleen de ander maar ook jezelf onder ogen komt en ziet: dit was echt verkeerd en ik weet bij God niet hoe het verder moet. Het kan niet getoond worden of meegedeeld, maar het kan ook niet worden overgeslagen. Het is een innerlijk lijden, waarin je alleen kunt hopen op medelijden. In de theologie is het berouw altijd herkend als het eigenlijke moment van de genade, het moment waarop vergeving mogelijk wordt. En ik denk: alles wat er in de psalm doorklinkt aan gevoelens van spijt, aan hoop op een nieuw bestaan, zelfs het verlangen om opnieuw leider te kunnen worden en anderen mee te nemen op het rechte pad: het komt allemaal voort uit dat moment waarin is doorgedrongen hoe pijnlijk de gemaakte schuld eigenlijk is.

5.
Moeten we dan weer vaker onze schulden belijden? Dat lijkt me niet. Want laten we ook niet te snel vergeten hoe het was. Ik kan mij nog goed herinneren dat wij in de jaren tachtig in de Studentenkerk in Nijmegen een indringend persoonlijk getuigenis lazen van een vooraanstaande Franse dominicaan (Jacques Pohier, God in fragementen): over de ontbinding van het godsbeeld dat hij had meegekregen in zijn religieuze opvoeding. Schuld belijden was daarin een vaste gewoonte geworden, bij iedere eucharistieviering opnieuw en vooral in de liturgie van de Goede Week en in de biecht op Paaszaterdag. Aangrijpend was het om te lezen hoe hij zich juist in de tijd voor Pasen daarvan losmaakte, doordat hij ging inzien hoe misvormend dat schuldbesef werkte, voor hemzelf als mens, maar ook voor zijn denken over God. Over het Miserere, de liturgische naam van de psalm van vandaag, over een zin als “Wees mij genadig, God, was mij schoon van alle schuld”, daarover schrijft hij: “Dat heb ik honderden, duizenden keren uit het diepst van mijn hart tegen God gezegd, overtuigd als ik was tot het diepst van zijn hart te spreken. Honderden miljoenen keren hebben miljoenen christenen tegen God gezegd: “Zie, als zondig mens ben ik geboren…”
Wat doet dat met je, in je relatie tot God? Waarom werd die schuldbelijdenis toen zo groot en zo belangrijk gemaakt, alsof er voortdurend behoefte was aan een rechter die oordeelt. Het is toch misplaatst, als wij pas gasten durven zijn aan de maaltijd van Jezus nadat wij onze zonden hebben beleden? Jezus vraagt niet eerst een schuldbelijdenis van de zondaars die hij ontmoet, hij ontvangt ze, hij kijkt ze aan, spreekt met ze, hoort hun verhaal, hij stelt er iets anders tegenover, waardoor ze uit zichzelf veranderen. “Zacheüs, ik wil vanavond bij jou eten.” Pas later, omdat het niet werd afgedwongen, kon Zacheüs begrijpen dat hij schuldig was en kon hij uitdelen van de rijkdom die hij op een kwalijke wijze had vergaard.

6.
We hebben de schuldbelijdenis achter ons gelaten. We zijn over gegaan naar de andere kant van de berg, met nieuwe perspectieven, een andere manier van omgaan met zonde en schuld en daarmee ook een vrijere manier van spreken over God. Maar we zijn inmiddels ook 30 jaar verder. Klopt het nog, dat wijdse perspectief? Een hele generatie is overgegaan naar de andere kant van de berg. Een nieuwe generatie heeft die ervaring niet meer. Kunnen we het gebed van David nu dan beter en vrijer verstaan? Of zitten ons andere dingen in de weg om eenvoudig menselijk, oprecht, zonder hypocrisie, schuld te durven erkennen, in een zekere nederigheid ten opzichte van de ander, vanuit een zwakte en kwetsbaarheid waarin we het durven uithouden, waarin we ons bloot stellen aan de gekwetste ander, zonder dat we daarin onszelf, onze eigenwaarde, hoeven te verliezen? Sommigen zijn onverschillig geworden, omdat de maatschappij je bijna aanleert vooral voor jezelf op te komen. Anderen zien de schuld wel, in structuren en systemen, maar hebben de moed opgegeven om daar iets tegen te doen. We leven in een steeds onverbiddelijker wordende vrije markt, waarin je schuldig voelen, schaamte tonen, signalen zijn van zwakte en dus verkeerd. Maar wat doen we eraan? Is onze schuld hierin niet vooral onze collectieve en daarmee ook onze persoonlijke halfslachtigheid? In zijn vrije vertaling van de psalm schrijft Huub Oosterhuis:

Ik heb het achteloos gedaan
blik op oneindig brutale glimlach
alsof het niet het kwaad was dat het was
alsof het van twee kwaden
het minste was.

En de vraag van de psalmist wordt dan in zijn woorden:

Kent Gij in uw eeuwige ziel
die tweespalt – zijt Gij
zo diep afgedaald en mens geworden
dat Gij ons daarin begrijpt?

7.
De psalm maakt ons gelukkig ook heel duidelijk hoe louterend en bevrijdend het kan zijn als we durven vertrouwen op deze menselijke, begrijpende God en vandaar gewoon eerlijk kunnen zijn over wat we verkeerd hebben gedaan. Het brengt je weer terug, zegt de psalm, bij waar het werkelijk om gaat: de waarheid die je oorspronkelijk vervult, de vreugde die je van vroeger nog kent, de kracht van de geest, die je opnieuw standvastig maakt. Het verschil met de sorry-cultuur is dat we dit niet uit ons eigen trotse ik hoeven halen, maar het geschonken krijgen. Om schuld te kunnen erkennen, berouw te kunnen tonen op een manier die ons niet innerlijk knecht, maar onze blik naar binnen en naar buiten zuivert, hebben we eerst het vertrouwen nodig dat er compassie is. Daarin ontstaat echte gemeenschap, ook tussen mensen die dader zijn en slachtoffer. Een gemeenschap, een politieke gemeenschap ook, die niet meer uitgaat van het gedogen van de ander, maar voortkomt uit mededogen met de ander.
Gelukkig blijkt in deze wereld heel vaak dat het kan: door vervreemdende structuren heen ruimte maken voor barmhartigheid, in het klein en in het groot, in relaties van mens tot mens, in werk en politiek, in Nederland en in Europa. De gemeenschappelijkheid van alleen maar mens te zijn wordt in onze wereld steeds belangrijker en wordt ons soms indringend duidelijk als alle woorden zijn verstomd en er niet veel meer is dan een hand in een andere hand of een liefdevolle blik, die misschien niet helemaal zuiver is en transparant, maar door de tranen heen weet heeft van onze wederzijdse ondoorgrondelijkheid. Erbarme dich, Miserere mei – het zijn woorden waarop de mooiste, de indringendste, de meest beluisterde muziek gecomponeerd is: als stille zaterdag, woordeloze ruimte waarin we onder ogen zien wat is misdaan. Zo gaan we, in tranen, maar ongebroken op weg naar een nieuwe geboorte.

Germain Creyghton

Terug naar boven, datum plaatsing: 11 maart 2013

Zelfkennis

En een man zei: Vertel ons over zelfkennis.
En hij antwoordde als volgt.
Stilzwijgend kent je hart de geheimen der dagen en nachten,
Maar je oren dorsten ernaar de kennis die in je hart besloten ligt te horen.
Je wilt verwoord zien wat je in gedachten steeds hebt geweten.
Je wilt met je vingers het naakte lichaam van je dromen beroeren.
En daar doe je goed aan.
De verborgen bron van je ziel moet opwellen en murmelend naar zee vlieten.
En de schat van je eindeloze diepten moet zich aan je blik openbaren.
Maar laat er geen weegschaal aan te pas komen om je ongekende schat te wegen.
En zoek de diepten van je kennis niet af met wichelroede en peillood,
Want het zelf is een zee, grenzeloos en onmetelijk.
Zeg niet: Ik heb de waarheid gevonden, zeg liever: ik heb een waarheid gevonden.
Zeg niet: Ik heb het pad van de ziel gevonden, zeg liever: Ik heb op mijn pad de ziel ontmoet.
Want de ziel bewandelt alle paden.
Zij beweegt zich niet langs een rechte lijn en ook groeit zij niet als een riet,
Zij ontplooit zich als een lotus met talloze bloembladeren.

Uit: Spiegels van de ziel, de mooiste verhalen van Kahlil Gibran
Uitgeverij Servire, Kosmos Uitgevers B.V. Utrecht/Antwerpen.
ISBN: 9789021512471.

Terug naar boven, datum plaatsing: 5 maart 2013

Israël en Gaza

Bevrijding en terugkeer

Inleiding

‘Verdoofd en schamper van gemis’,
we zongen dat zonet,
‘herkomst en doel verloren
dit leven dat geen leven is
nog dood nog ongeboren’.
Toen ik gisteren de krant opensloeg, las ik:
‘Het is hier extreem chaotisch.
De raketten vliegen in het rond.
Het merendeel komt terecht op Gaza-stad.
Ieder half uur slaat er wel ergens eentje in.
Palestijnen zijn gewend aan een bepaald niveau van geweld.
Maar zo intens en dreigend als nu,
heb ik het nog niet meegemaakt.
Ik heb het gevoel in een spookstad te zijn.
Schuilen in een kelder kunnen ze niet.
Er is niet voldoende bouwmateriaal voor woningen,
laat staan voor schuilkelders.
Je moet maar hopen niet op het verkeerde moment
op de verkeerde plaats te zijn’.
Aan het woord is Lydia de Leeuw
sinds een jaar in Gaza-stad woonachtig.
Links ervan een moeder die haar 10 maanden oude
dochtertje ten grave draagt.
Het zijn apokalyptische beelden,
beelden van verschrikking,
wij kunnen ons dat nauwelijks voorstellen…
Mensen worden het slachtoffer van een conflict
waarvan de herkomst steeds moeilijker te achterhalen is.
Wie is er nu begonnen, Hamas of Israël?
Laat staan dat nog te snappen is wat het doel is:
waar gaat dit heen: allebei de volken kapot?
Wanneer zal dit stoppen…?
Vanmorgen horen we in de lezingen
van ‘een tijd van nood zoals er eerder nog geen is geweest
sinds er volken zijn’.
En van ‘verschrikkingen’ waarna
‘de sterren van de hemel [zullen] vallen
en de hemelse heerscharen in verwarring [zullen] geraken’.
Kunnen zulke teksten hoop geven?
In zulke tijden?
Aan ons?

Overweging

Toen ik gisteren de krant opensloeg, las ik:
‘Rond half twee lokale tijd
is Michael Hess met een taxi onderweg naar zijn nieuwe flat in Tel Aviv.
Hij hoort een enorme explosie.
Even later ligt hij op de stoep naast de auto,
zoals de instructies voorschrijven.
‘Tel Aviv is ‘in schock’’, zegt Hess.
‘Raketten slaan in het zuiden in,
niet in de stad van de feesten,
van het liberalisme, van de homo’s.
Het was hier twintig jaar rustig. Dit hakt er echt in.’
Op de dag van de eerste raketinslagen in Tel Aviv, donderdag,
had hij net de sleutel gekregen van zijn nieuwe flat.
Hij inspecteerde de schuilkelder met een houding van
‘die zal ik niet vaak van binnen zien’.
Nog geen kwartier later ging het luchtalarm af
en rende hij met iedereen in het gebouw naar beneden.
Hess vertelt: ‘Grote paniek. Kinderen huilden,
baby’s hadden hun speen niet.
Sommigen waren uit de douche gesprongen,
droogden zich in de kelder af.
Rare manier om je buren te leren kennen’.

Het zijn apokalyptische beelden,
beelden van verschrikking,
wij kunnen ons dat nauwelijks voorstellen…
Mensen, ik zei het in de inleiding ook al:
worden het slachtoffer van een conflict
waarvan de herkomst steeds moeilijker te achterhalen is.
Wie is er nu begonnen, Hamas of Israël?
Laat staan dat nog te snappen is wat het doel is:
waar gaat dit heen: allebei de volken kapot?
Wanneer zal dit stoppen…?

Hoewel, in deze twee verhalen is er wel een duidelijk verschil:
In Tel Aviv is het twintig jaar rustig geweest.
Dat kan ook zo weer opnieuw het geval zijn…
En er is een schuilkelder…
In Gaza-stad zijn nauwelijks schuilkelders.
Het conflict tussen Israël en de Palestijnen gaat altijd maar door…
lijkt eindeloos…
Hoe houd je het dan vol…?

In de lezingen van vandaag gaat het ook om verschrikkingen.
Ze nodigen ons uit om stil te staan bij het einde der tijden.
In de eerste lezing schrijven we het jaar 160 vóór Christus.
Een klein volk is onder de voet gelopen door een machtige natie.
Kleinduimpje en de reus.
Maar er groeit verzet en er ontstaan verzetsliederen.
Liederen in een geheimtaal,
want hardop kun je niet alles zeggen.
Iemand laat de profeet Daniël zingen in geheimtaal:
‘Dan zullen de wijzen stralen
en degenen die de mensen tot gerechtigheid hebben gebracht
zulen schitteren’.
En iedereen begreep dat.
Dat is het hart van dit verhaal: innerlijk verzet tegen uiterlijke macht.
Dit verzet krijgt zelfs een schuilnaam: ‘Michaël’,
wat betekent: ‘Wie-als-God’.
De sterren en idolen, de machtigen en zij die het nu voor het zeggen hebben,
zullen eens van hun lemen sokkels storten.
Wacht maar, je zult het met eigen ogen aanschouwen:
‘Wie is als onze God?’.

Het doet denken aan Pussy Riot
die Maria aanriep
in een aanklacht tegen Poetin
en tegen met hem samenwerkende Russische geestelijken.

In het evangelie schrijven we het jaar 65 ná Christus,
Een klein volk wordt onder de voet gelopen.
Ook de eerste christengemeenschap moet de schuilkelders is,
weggekropen in de catacomben.
Keizer Nero vervolgt de christenen heftig.
Er groeit echter verzet en er ontstaan verzetsliederen.
Liederen in een geheimtaal, want hardop kun je niet alles zeggen.
Marcus droomt: ‘De sterren zullen van de hemel vallen…
de machten zullen in verwarring geraken
en na al de wandaden van Nero zal er een Mensenzoon komen’.
Een naam mag hij niet hebben,
‘Mensenzoon’ is veiliger.
Maar iedereen begreep wie Marcus bedoelde:
De tijden zúllen veranderen.
Innerlijke kracht zal belangrijker blijken dan uiterlijke dwang.
In geheimtaal zingen de eerste christenen:
‘Kijk naar de vijgenboom, eens zal hij bloeien
Dan dan zullen we in vrede leven
in de schaduw van haar grote bladeren’.

Kunnen wij daar hoop uit putten…?
Bij ons vallen geen raketten uit de lucht,
bij ons dreunen geen vreemde laarzen door de straten.
Toch leven ook wij in een tijd van onzekerheid:
over de toekomst van onze banen,
over de toekomst van de zorg, van het onderwijs.
over de toekomst van onze kinderen,
over de toekomst van ons milieu, onze wereld, onze aarde,
over de toekomst van de solidariteit tussen mensen
en tussen volken wereldwijd.
Nu al staat dat alles onder druk.
Wie ziet er een Michaël of een Mensenzoon aankomen…?
Misschien moeten we daar ook niet naar uitzien
en er zeker niet op wachten.
Misschien moeten we ons de vraag stellen:
waar doe ik innerlijke kracht op?

Voor mij geldt dat ik innerlijke kracht opdoe
waar ik mensen zie volhouden in moeilijke tijden,
waar ik mensen, bij alle chaos in hun eigen leven,
voor anderen een naaste zie zijn,
waar ik mensen het zie opnemen voor anderen,
waar ik mensen bij elkaar zie komen
om gezamenlijk in verzet te komen.

Ik denk aan de man die,
zelf nauwelijks rondkomend van zijn uitkering,
voor anderen actief is binnen de Cliëntenraad Sociale Zekerheid.
Aan de vrouw die, ondanks haar onzekerheid en angst,
toch telkens naar het inloophuis gaat om
voor anderen koffie in te schenken,
Ik denk aan de werkneemster die
met risico voor haar eigen baan
het opneemt voor haar collega’s
bij een reorganisatie van haar bedrijf.
Aan de kleine groepen van mensen die bij elkaar komen,
een brief schrijven, medestanders zoeken,
het gesprek aangaan, zich niet laten afschepen of intimideren.
Ik denk aan de ingezonden brief van iemand met twee keer modaal
die geen probleem heeft met meer betalen dan
mensen met minder.
Ik denk aan die kleine organisatie,
waarvan ik de naam niet meer weet,
die blijft proberen joodse en palestijnse kinderen
met elkaar in contact te brengen.

In alle onzekerheid, bij alle wanhoop,
eenvoudigweg in Jezus’ spoor
het goede doen, voor elke ander een naaste zijn;
dat en niets anders overwint uiteindelijk de chaos die ons bedreigt.
Moge we iets daarvan in ons eigen leven ervaren:
iets van die vijgenboom als teken van vertrouwen,
als belofte van toch-weer-nieuw-leven,
van toch-weer-verder-kunnen.
Zoals na elke winter toch weer de lente komt.
In ieders leven kan zo’n vijgenboom staan:
de ervaring dat op een dieptepunt
onverwacht kracht op je toe komt,
waarmee je er doorheen komt, of er weer bovenop.
De ervaring dat God ons op het spoor is
en ons zijn reddende hand biedt.

Daar gaat het telkens om in ons geloven:
dat mensen ondanks alles wat hen bedreigt en bedrukt,
toch léven, en toekomst zien.
Dát vertrouwen houdt Jezus ons voor.
God is redding en toekomst,
zelfs als een einde komt aan wat bekend en vertrouwd is.
Misschien op een andere manier dan we graag zouden willen,
maar toekomst van Godswege valt ons ten deel,
nu al…

Guus Timmerman

Terug naar boven, datum plaatsing: 19 november 2012

Christenen, moslims en Jesaja

Bevrijding en terugkeer

1 De woestijn zal zich verheugen, de dorre vlakte vrolijk zijn, de wildernis zal jubelen en bloeien,
2 als een lelie welig bloeien, jubelen en juichen van vreugde. De woestijn tooit zich met de luister van de Libanon, met de schoonheid van de Karmel en de Saron. Men aanschouwt de luister van de HEER, de schoonheid van onze God.
3 Geef kracht aan trillende handen, maak knikkende knieën sterk.
4 Zeg tegen het moedeloze volk: ‘Wees sterk en vrees niet, want jullie God komt met zijn wraak. Gods vergelding zal komen, hijzelf zal jullie bevrijden.’
5 Dan worden blinden de ogen geopend, de oren van doven worden ontsloten.
6 Verlamden zullen springen als herten, de mond van stommen zal jubelen: waterstromen zullen de woestijn splijten, beken de dorre vlakte doorsnijden.
7 Het verzengde land wordt een waterplas, dorstige grond wordt waterrijk gebied; waar eenmaal jakhalzen huisden, maakt dor gras plaats voor riet en biezen.

8 Daar zal een gebaande weg lopen, ‘Heilige weg’ genaamd, geen onreine zal die betreden. Over die weg zullen zij gaan, maar dwazen zijn er niet te vinden.
9 Geen leeuw of roofdier zal daar komen, geen enkel wild dier dwaalt er rond, ze blijven er allemaal weg, alleen zij die verlost zijn zullen daar gaan.
10 Wie door de HEER bevrijd zijn, keren terug. Jubelend komen zij naar Sion, gekroond met eeuwige vreugde. Gejuich en vreugde trekken de stad binnen, gejammer en verdriet vluchten eruit weg.

Tekst uit Jesaja 35: 1-10 uit De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap

Betekent dit dan dat iemand die niet "in de Heer" is deze beloftevolle tekst en visioen aan zich voorbij ziet gaan?
Zou een oprechte moslim of moslima die vrede, gerechtigheid en verdraagzaamheid voor ogen heeft niet op dit pad te vinden zijn?
Ik weet dat de fundamentalistische gekken die moord en doodslag bedrijven en haat prediken ons beeld van goede moslims vertroebelen.
Ik weet dat de onverdraagzaamheid van deze moslimmannen ten opzichte van vrouwen verschrikkelijk is, en toch.....
Kerken en andere Godshuizen zoals van de Soefi's worden afgebrand of met de grond gelijk gemaakt door haatzaaiers en een gedeelte van het domme volk staat daarbij te juichen en te klappen. Verschrikkelijk. Verschrikkelijk die onverdraagzaamheid. Daar wil ik niets mee te maken hebben en ik zal mij daar fel tegen verzetten.
Maar dat neemt niet weg dat er ook hele verlichtte moslims zijn, mensen die ons christenen "de mensen van het Boek" noemen en broeders en zusters in ons zien.
Die Jezus van Nazareth als een belangrijke profeet zien, ook al noemen zij hem Isa.
Dat geeft mij hoop. Deze moslimmensen geven mij hoop dat Het Goede zal overwinnen door de verdraagzaamheid van de meerderheid.
Het is vaak de politiek, daar in die moslimlanden en hier in Nederland, die verdeeldheid onder de mensen brengt en erger tot uitbarsting laat komen.
Dat vind ik erg, daar kan ik van wakker liggen.
Binnenkort hebben wij Petra Stienen, Arabiste en voormalig diplomate in het Midden-Oosten, bij ons voor de microfoon. Ik denk dat ik maar eens aanschuif om met haar van gedachten te wisselen over dit onderwerp en haar dan verschenen boek "Het andere Arabische geluid".
Een vrouw uit de praktijk, die als geen ander de rol van de vrouw kent in de Arabische wereld en bij ons.
Luisteren zou ik zeggen.

Rik Bronkhorst.

Terug naar boven, datum plaatsing: 20 augustus 2012, aanvulling op 1 september 2012

Levenswijsheid in tijden van crisis - Trinus Hoekstra

We leven in een tijd van economische crisis. Wat in 2008 begon met een kredietcrisis, met een vertrouwenscrisis in het wereldwijde financiële systeem, is ons allen gaan raken in twijfel over de houdbaarheid van onze welvaart, de waardevastheid van onze huizen, pensioenen en het behoud van onze banen en bedrijven.

Prediker
Er is één bijbelboek waarvan je zou kunnen zeggen dat het als corebusiness heeft om in een tijd van crisis levenswijsheid te bieden. Ik doel daarbij in dit verband even op hoofdstuk 2, de verzen 20 tot en met 27. In dit gedeelte raakt de ik-persoon bij een terugblik op zijn leven en al zijn inspanningen betrokken in een vertwijfeling die zijn leven en werken onder fundamentele kritiek stelt. De aanleiding is dat hij zich realiseert dat hij alles wat hij verworven heeft, uiteindelijk moet nalaten aan iemand anders. Het is alsof het hem plotseling naar de keel grijpt, dat hij met al zijn inspanningen zijn bestaan niet onder controle heeft. De passage doet denken aan de gelijkenis uit de evangeliën over de rijke dwaas (Lucas 12) die zich voor tal van jaren veilig waant op grond van zijn bezittingen. Precies in die nacht verliest hij zijn leven. De ik-persoon uit Prediker realiseert zich ineens deze dwaasheid. Al het bereikte staat onder het voorteken van verlies en verval. Het is letterlijk vluchtig als een ademtocht, ‘ijdelheid’.

Goede leven
Er zijn bepaalde levensopvattingen die zich wentelen in een melancholiek soort pessimisme, zo van ‘het heeft allemaal geen zin’. Dit soort van levensopvattingen probeert zich soms te tooien met de wijsheid van Prediker, maar dan lijken ze het toch bij het verkeerde eind te hebben. In Prediker voelen we een diepe liefde voor het goede leven in Oudtestamentische zin. Daarin gaat het om een diepe waardering van goed eten, drinken en betrokkenheid op elkaar, noem het gemeenschapszin. Er wordt geen zin achter of na het leven met al zijn moeiten en zorgen gezocht. Het alledaagse leven is ook geen zinsbegoocheling waar een diepere waarheid onder vandaan gehaald moet worden. De weg uit de crisis vindt Prediker dus niet in het haten en verwaarlozen van dit kwetsbare en verwarrende leven. Integendeel, hij vindt een uitweg in (zoals het letterlijk klinkt in het middenstuk van vers 24) ‘zijn ziel het goede te laten zien in zijn inspanningen’, dat wil zeggen de vruchten genieten van het onderhouden en van het vorm geven aan dit leven. Dat is volstrekt iets anders dan een genieten in termen van ‘na ons de zondvloed’ of van ‘wees vandaag vrolijk want we weten niet of we er morgen nog zullen zijn’. Het gaat om een diep besef dat er anderen voor ons waren en na ons zullen zijn, en dat wij er in deze keten nu zijn. Waar Prediker op doelt, is dit leven hier en nu. Deze wereld om ons heen. Dit alles in zijn voorlopigheid, kwetsbaarheid en vergankelijkheid. Dit is de plek en de tijd van de goede schepping. Het goede leven volgt in de bijbel niet na alle inspanningen en zorgen van dit leven. Het goede leven is het weerbarstige leven zelf dat zich ontvouwt onder onze handen. Genieten van het goede leven betekent in het Oude Testament, dat we er zorg voor dragen, dat we als het erop aan komt er voor in de bres springen dat we het goed met elkaar hebben.

Immanuël
‘Dat we het goed met elkaar hebben’, die woorden zijn iets om even over na te denken. Want ze lijken zo voor de hand te liggen, maar wie worden er bedoeld met dat ‘we’? Wie vormen de ‘wij’ waarop gedoeld wordt? In de bijbel is daar veel discussie en strijd over. De ene keer gaat het om afzonderlijke stammen van het volk Israël, de andere keer juist om dat hele volk, dan weer om afsplitsingen daarvan in een noord- en zuidrijk. Een geheimzinnige constante is het ‘wij’ in de naam van God zelf, Immanuël. Deze naam betekent ‘God met ons’. Jezus zal in het Nieuwe Testament deze naam en dat ‘wij’ betrekken op alle mensen, en om te beginnen op allen die buitengesloten worden uit een bekend verondersteld ‘wij’: hoeren, tollenaren, Samaritanen, vreemdelingen.

Kwaliteit
‘Dat we het goed met elkaar hebben’ ... in een tijd van crisis betrekken we dat al te snel en al te beperkt op de eigen groep, op de eigen natie. Die te nauwe betrekking, die te beperkte betrokkenheid op elkaar als kleine groep en hechte natie, heeft een groot risico in een wereld waarin we wereldwijd steeds meer met elkaar verbonden en afhankelijk van elkaar worden. De naam Immanuël herinnert ons eraan dat verbondenheid met en afhankelijkheid van anderen fundamenteel is voor ons mens-zijn. Zorg en aandacht voor deze verbondenheid en afhankelijk bepaalt de kwaliteit van ons bestaan, in het bijzonder in een tijd van crisis.

Trinus Hoekstra is projectmanager bij het Binnenlands Diaconaat van Kerk in Actie en mededirecteur van DISK-arbeidspastoraat.

Terug naar boven, datum plaatsing: 16 juli 2012

Het is ons licht, niet onze duisternis

Onze diepste angst is niet, dat we ontoereikend zijn.
Onze diepste angst is dat we oneindig krachtig zijn.
Het is ons licht, niet onze duisternis, waar we het allerbangst voor zijn.
We vragen ons af: "Wie ben ik dat ik briljant, buitengewoon aantrekkelijk, getalenteerd en geweldig zou zijn?"
Maar waarom eigenlijk niet?
Je bent toch een kind van God?
Dat je jezelf kleiner voordoet dan je bent, komt de wereld niet ten goede.
Er is niets verheffends aan je kleiner voor te doen dan je bent opdat de mensen om je heen zich vooral niet onzeker gaan voelen.
Wij zijn geboren om de luister van God uit te dragen die in ons woont.
Niet slechts in enkelen van ons, maar in ons allemaal.
Als wij ons licht laten schijnen, geven we anderen onbewust toestemming om dat ook te doen.
Als wij bevrijd zijn van onze eigen angst, bevrijdt onze aanwezigheid automatisch anderen.

Marianne Williamson uit: A return to love.
Voorgelezen door Nelson Mandela in een van zijn toespraken.

Terug naar boven, datum plaatsing: 4 juli 2012

Wat gij niet wilt dat u geschiedt ...

Je zou kunnen zeggen dat het bij de religies onder andere gaat over de vraag: Hoe kunnen we zó samenleven, dat alle leven tot zijn recht komt? De gulden regel, die ons daarvoor wordt aangereikt is: “Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook de ander niet”. Dat gaat al terug op Confucius en dan hebben we het over zo’n 500 jaar vóór Christus.
Diezelfde regel vind je ook bij de profeten in de Joodse en Christelijke bijbel en bij de Islam.
Precies die fundamentele kwestie is ook hier aan de orde in de vraag van die wetgeleerde: “Wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven”? Vroeger dacht ik dat die man bedoelde: Hoe moet ik leven zó dat ik later in de hemel kom? Maar intussen weten we dat eeuwig, - olam in het hebreeuws – niet betekent: lang in tijd, altijddurend, maar veel meer: duurzaam, bestendig, gelukkig. Het gaat om de kwaliteit van leven en samenleven. Eigenlijk vraagt hij dus: Rabbi Jezus, wat moet men doen om gelukkig te zijn en om tot een goede samenleving te komen?

Momenteel zijn daar heel wat visies op. Veel mensen zoeken het in het vergaren van goederen. Of ze hopen op heil via allerlei therapieën. Men is in ieder geval druk bezig met zelfzorg. Maar in alle heilige geschriften ontdek je dat het juist gaat om het lóslaten van je eigen ik. En dat je hart in liefde moet uitgaan naar de ander. Dat weet ook die wetgeleerde. Hij kent die geschriften. Hij is een spiritueel mens. Maar wat hij wil weten is:
Hoever gaat dat dan? Waar liggen de grenzen? Kortom: Wie hoort er nou wel en wie hoort er niet bij? Oftewel: Wie is mijn naaste dan wel? Hij gaat daarbij uit van zichzelf als middelpunt.
Maar Jezus draait de vraag om: Bij de naastenliefde moet je niet uitgaan van jezelf maar van de ander. Wie is dus de naaste voor dat slachtoffer!? Om een goede naaste te zijn, zegt rabbi Jezus, daar moet je Samaritaan voor zijn. Maar Samaritanen zijn zeldzaam. Dat weten we al 2000 jaar. Natuurlijke Samaritanen zijn schaars. Dat zijn meestal mensen die in hun jeugd omringd zijn door liefde en zorg. Ze hebben zelf ervaren hoe belangrijk dat is om mens te worden en gelukkig te zijn. Hun hart gaat met een zekere vanzelfsprekendheid uit naar de ander. Maar er zijn er ook heel wat die opgroeien in moeilijke omstandigheden. Ze raken dat vertrouwen in het leven en die oorspronkelijke onschuld al vroeg kwijt. Ze moeten vechten om zelf te overleven. En daarmee verliezen ze het natuurlijke vermogen om voor anderen te zorgen. Je moet toch eerst een beetje met jezelf klaar zijn, om klaar te kunnen staan voor anderen. Je moet uit je eigen wereldje van zorgen kunnen breken en boven jezelf uit kunnen stijgen om de hulpvraag in het gelaat van de ander te zien. Eigen oude zorgen loslaten en zo ruimte maken om de ander in je hart te sluiten. Boeddhisten hebben het in dit verband wel over “de kleine dood” . En ze bedoelen daarmee: je moet in je leven heel wat keren de dood van je ego meemaken om tot verlichting te komen. Wat daarbij sterft is je kleine “ik”, je ego dat alleen maar bezig is met z’n eigen behoeften.

U weet zelf hoe dat gaat: je hebt angst om de greep op het leven te verliezen. Daarom probeer je uit alle macht om mensen en situaties te beheersen. Daar kun je heel lang heel druk mee zijn. Ook godsdienstige mensen hebben daar vaak last van. Maar als je werkelijk wilt groeien als mens, als je gelukkig wilt zijn, dan vraagt dat van je om al die kleine “ikken” los te laten. Dat voelt inderdaad alsof je een kleine dood sterft. Alles waaraan je vasthield, alles wat je dacht te zijn, blijkt een illusie. Maar toch, als je je eraan waagt, als je die kleine dood durft sterven, dan ga je pas echt leven.
Als je je weet los te maken van die eeuwige zélfzorg, dan stijg je boven jezelf uit. Dan ben je in staat tot echte compassie. Je gaat over je veilige grenzen heen en je hart kan helemaal bij die ander zijn, wie dat dan ook is. Precies dát maakt gelukkig. Je wordt een vrij mens en je kunt die ander liefhebben – inderdaad – als jezelf. Dat zomaar- goed - doen werkt helend en ontspannend. Je wordt er letterlijk een beter mens van. En juist dáárdoor komen we tot een goede samenleving. De meeste van ons hebben het nog veel te druk met overleven. Jammer, maar het is niet anders. Maar er zijn er ook heel wat die in hun latere leven nog weten uit te groeien tot echte Samaritanen. Want naastenliefde is echt te leren. Daarvoor moet je de “Stem van God” horen, zo lezen we in de Schrift. Daar hoef je geen gekke dingen voor te doen. O nee! “Het Woord is dichtbij u, in uw mond en in uw hart”. Iedereen draagt in zijn ziel iets van Gods Geest, die stem, dat oude kompas om in je leven de weg niet kwijt te raken, de eeuwigheid niet te verliezen. Je moet wel telkens opnieuw contact maken met die diepere laag in jezelf, die bron. Want zonder die band met de Eeuwige, kom je niet tot dat duurzame leven. Zo ziet de Schrift dat. Daarom is het eerste gebod ook: Je zult de Heer uw God liefhebben met hart en ziel, en tegelijk, in één adem: én je naaste, want die is als jij. Dat is de kern van ons geloof. En dat zeggen ook de lezingen van deze dag. De priester en de Leviet uit het verhaal, die zitten vast aan hun agenda, hun tempel, hun geloofsleer en heel dat religieuze systeem van zelfzorg. Misschien is die gewonde man wel dood en als je hem dan aanraakt ben je onrein, kun je geen dienstdoen in de tempel, moet je eerst weer offers brengen en zo. En die tempeldienst is voor hen toch echt belangrijker dan de nood van die mens. Daarom hebben ze zoveel haast op die weg van Jeruzalem naar Jericho, de weg die dwars door onze mensenwereld loopt. De mens in nood, dat is een vervelende zaak, die kun je er eigenlijk niet bij hebben. Als je je overal mee bezig moet houden, ja, waar blijf je dan!? En met een boog lopen we er om heen. Maar die vreemdeling, die Samaritaan, die ongelovige, díe heeft niet zoveel met heel dat systeem. Eigenlijk denkt hij helemaal niet aan zichzelf. “Hij kreeg medelijden”, staat er. Met andere woorden: hij laat zich door die ander raken. Hij is helemaal met zijn gedachten bij die ander. Het gaat hem vreselijk aan het hart om die man daar zo hulpeloos te zien liggen. Daarbij vergeet hij alles. Tussen de regels door merk je ook hier weer dat Lukas arts is. Hij zegt precies hoe je zo’n gewonde verzorgen moet: wijn om de wonden te desinfecteren, olie om ze te verzachten. Prachtig! Toch is die Samaritaan geen nááste van dat slachtoffer. Hij is een vreemdeling, een buitenlander, een Barmhartige Marokkaan misschien wel. Maar hij máákt zichzelf op dat moment tot naaste. In het Hebreeuws heeft het woord “naaste” de betekenis van metgezel, buddy. Je maakt jezelf tot metgezel, de meest nabije voor die ander. Nou, zegt Jezus. Daar gaat het om. Als je gelukkig wilt leven en als je staat voor een goede samenleving: “Ga dan en doe ook zo!”.

Leo Koerhuis.

Terug naar boven

De toonhoogte van de ziel

De herinnering aan de rauwe, bijna dierlijke kreet die vanaf de cassetterecorder de kamer in wordt geslingerd raakt me tijdens het afluisteren van het bandje weer even diep als tijdens het interview zelf.
Bart, de geïnterviewde, een man van 45 jaar, heeft vóór dit moment in het gesprek verteld hoe hij zijn jongste broertje heeft verkracht, evenals twee vrouwen die hij onder bedreiging van een mes midden in de nacht van hun fiets heeft getrokken. Vanwege een derde –mislukte- poging wordt hij opgepakt. In de gevangenis volgt hij verplicht dadertherapie. Op een dag komt een meisje in die groep vertellen wat seksueel geweld met haar gedaan heeft. Dat is het moment in het gesprek waarop hij het met zo’n kracht uitschreeuwt dat de geluidsmeter op de recorder in het diepe rood schiet. ‘Ineens begreep ik wat ik mijn slachtoffers had aangedaan Dat enorme verdriet, die pijn, dat kapotte leven, het sneed me door de ziel.’ Het wordt een keerpunt in zijn leven. Hij bekent de twee eerdere verkrachtingen aan zijn therapeut en aan justitie, hij wil geen advocaat die zijn zaak bepleit omdat hij vindt dat hij de volle straf verdient en werkt nu, tien jaar later, met daders van seksueel geweld.

Ik vond het een intrigerend verhaal. Een paar zinnen die een geweten tot leven wekken. Een paar zinnen die, na 45 jaar geslaagde verdringing ineens, als in een bliksemflits, een volstrekt nieuw inzicht oproepen en de daarbij behorende pijn over de aangerichte verwoesting. Niets zal ooit nog hetzelfde zijn. Aan dit gewekte geweten valt niet meer te ontsnappen. Nooit. Het markeert de cesuur tussen Bart voor en Bart na die ervaring. Zij wordt tot leidraad van een nieuw, volstrekt ander leven.
Zoiets moet ook Paulus, toen nog Saulus overkomen zijn. Saulus de Farizeeër , fanatiek en gevreesd vervolger van de aanhangers van Jezus, die huizen binnendringt, mannen en vrouwen naar buiten sleept, geweld niet schuwt, die Saulus hoort bij Damascus een stem: “ Saul, Saul waarom vervolg je mij “en wordt door het licht tegen de grond geslagen. Een mooi beeld: Licht zo schitterend, verblindend, verhelderend, dat het verplettert. Licht waar niet tegen in te kijken, in te denken, op te boksen is. Licht waar je je alleen maar aan gewonnen kunt geven. En daarna zal niets ooit nog hetzelfde zijn. Saulus wordt Paulus, de vervolger een volgeling. Een tomeloze volgeling, gedreven ijveraar voor Jezus, die moet en zal uitdragen wat hem geopenbaard is. Aan het gewekte geweten valt niet meer te ontsnappen. Nooit. Hij heeft een missie, een opdracht waarvan hij volledig vervuld is. Als een bezetene reist en praat en schrijft hij. De wereld moet het weten. Gepassioneerd vecht hij voor de goede zaak in schriftelijke betogen die de opbouw hebben van een juridisch pleidooi. Brieven vol grote woorden, hevige vermaningen, zware zinnen, plechtige retoriek. Of zoals Anton van Wilderode dichtte: “bevolen en bevlogen sterveling, een hand die schrijft, een mond vol strenge woorden”. In het fragment dat we net lazen ook moeilijk te verstane woorden. Woorden die, door een enge en eenzijdige interpretatie van christelijke theologen tot op de dag van vandaag verder verduisterd zijn, en voor verwarring en ellende hebben gezorgd,. Een God die bloed wil zien, de mens die schuldig en zondig is, Christus die, zoals de Heidelbergse catechismus schrijft, “als enig zoenoffer ons lichaam en onze ziel van de eeuwige verdoemenis heeft verlost”. Het zijn die woorden die nu nog doorklinken in orthodox protestante kerken, in roomse kringen en bij de EO. We konden het Danny de Munk, onze eigentijdse gespierde Jezus in merkspijkerbroek met naast hem de in een leren jasje gestoken apostel Frans Bauer in onvervalst Amsterdams horen zeggen toen hem gevraagd werd naar het hoogtepunt van The Passion. “Het mooiste vond ik dat Jezus, zeg maar, zijn bloed had laten vloeien om ons te redden”. Het bloed als offer, verzoeningsretoriek, niets in mij resoneert mee. Ik herken weinig in de moeilijke woorden van Paulus en helemaal niets in manier waarop de kerk met die woorden aan de haal is gegaan maar wat ik wel herken is de toon waarop ze worden uitgesproken. Het is de toonhoogte van de ziel, de melodie van de vervoering. Zo spreken mensen die verpletterd zijn door het licht, tegen de grond geslagen door een volstrekt nieuw inzicht, Het is zwart-wit taal het is verliefdentaal, het is alles of niets taal. Het is de hartstochtelijke toon van I have a dream en yes we can.
Maar het is ook de taal van een mysticus die een peilloos diepe ervaring heeft gehad.“ Weggerukt naar de derde hemel om daar onzegbare woorden te vernemen die geen mens mag uitspreken” zoals in de tweede brief aan de Korintiërs staat, onzegbare woorden die geen mens mag uitspreken. Een dubbele paradox in één zin om het onbeschrijfelijke toch nog enigszins te duiden zonder het mysterie tekort te doen. De vervoering en verrukking over wat Paulus heeft geschouwd, de voleinding die voor de deur staat, heeft zijn aardse bestemming compromisloos helder gemaakt: hij leeft om daarvan te getuigen, tot de dood erop volgt. Maar die vervoering is nog maar het begin, zoals hevige verliefdheid maar een begin is.

Na die immense ervaring bij Damascus schrijft Paulus in zijn brief aan de Galaten dat hij geen mens om raad heeft gevraagd, maar naar Arabië, de woestijn ten oosten van Damascus is gegaan en daar drie jaar is gebleven. Over wat hij die tijd heeft gedaan zijn theologen in het ongewisse, maar zou hij niet gewoon drie jaar stilte en woestijn nodig hebben gehad voor loutering, bezinning en reflectie? Tijd om de consequenties van deze alles ingrijpende gebeurtenis te doordenken, om zich rekenschap te geven van zijn afwegingen, zijn aanvechtingen, om te ervaren wat het betekent om zo radicaal het verleden los te laten en zo compromisloos de toekomst te omarmen. Om van Saulus Paulus te worden, een nieuw mens.

De Zweedse toneelschrijver August Strindberg betitelde zijn meest autobiografische stuk als De weg naar Damascus. Hij begon aan deze trilogie in 1898 een jaar na publicatie van zijn dagboek Inferno waarin hij de balans van zijn leven opmaakt. Zijn tweede huwelijk is op de klippen gelopen, hij heeft zich berooid in Parijs gevestigd en de literatuur tijdelijk de rug toegekeerd. Het dagboek is een bij vlagen radeloos geschrift, grenzend aan waanzin. In De weg naar Damascus, een bewerking van Inferno, probeert hij draad voor draad zijn leven te ontrafelen. Uiteindelijk weet hij de ontrafelde draden tot een nieuw patroon te weven. Hij kiest voor een spirituele levenshouding waarin niet hij zelf centraal staat maar God en diens levenplan met hem. Drie jaar had Strindberg nodig had om De weg naar Damascus , de theatrale vertaling van de crisis in Parijs te voltooien en het daaruit voortvloeiende inzicht te leven. Drie jaar had Paulus nodig om de implicaties van zijn existentiële ervaring te doorgronden. En Bart tien jaar. Weggerukt worden naar de derde hemel of de zevende afgrond, zijn hevige, diep menselijke ervaringen. En het kost tijd en moed en reflectie om die ervaringen van derde hemel en zevende afgrond om te smeden tot een ander handelen, een nieuwe omgang met jezelf, de ander en God. Het kost tijd om na een nieuwe geboorte een nieuw mens te worden. We zien het bij Bart, Paulus en Strindberg, maar zien we het niet ook bij onszelf? Zeven maal opnieuw geboren, kleingekregen, uitgeworpen, worden wij om mens te worden. Maar niet altijd is er een Damascus nodig om te weten hoe het is en dat het anders, beter kan. Wie je bent en wie je zou willen worden. Wel nodig zijn niet aflatende zelfanalyse en reflectie om het geweten te scherpen tot het onontkoombaar wordt. Om los te laten dat ene wat jou vasthoudt: trots, bitterheid, slachtofferschap, gekwetstheid, cynisme. Om in te oefenen, dag na dag, die nieuwe mens, die niet meer geketend is maar getekend door liefde, aangeraakt door een visioen.

Want ook dat herken ik in Paulus’ brieven. Het visioen dat door en achter de moeilijke woorden oplicht. Hij geloofde dat de Eeuwige levensbron kon worden voor alles en iedereen. Hij droomde van een nieuwe wereld zonder scheidsmuren. “Dus niet meer Jood of Griek, knecht of heer, man of vrouw.” Hij geloofde dat het koninkrijk van God op aarde nabij was en dat iedereen, zonder uitzondering er deel aan kon hebben. Niemand zou uitgesloten zijn van dat grandioze dat gloorde aan de horizon. En om die droom tot werkelijkheid te maken gaf hij alles. Zichzelf, zijn leven.
Zo weinig als woorden als zoenoffer in mij resoneren, zo sterk resoneert dit visioen dat nog niets aan actualiteit heeft ingeboet. Een wereld zonder scheidsmuren. Een wereld zonder uitsluiting. Een wereld zonder wij-zij denken, angst, xenofobie, vernedering en polarisatie. Zonder nederzettingen, werkkampen, mensenhandel en detentiecentra. “Wij zullen, een van ziel, zijn lichaam worden, uitstralende kracht in deze wereld”.
Lastige Paulus, irritante Paulus, moeilijke Paulus, allemaal waar, maar die bevlogen niet te stuiten visionaire wereldverbeteraar, díe Paulus, verdient een overweging. En navolging.
Zo moge het zijn.

Colet van der Ven
Overweging 29 april 2012
Dominicuskerk Spuistraat Amsterdam.

Terug naar boven

Waarom maken wij het onszelf vaak zo moeilijk?

"Waarom maken wij het onszelf vaak zo moeilijk?"
Er zijn genoeg anderen die dat voor ons willen doen.

Terug naar boven

Min de stilte met uw wezen

Min de stilte met uw wezen
Min de stilte die bezield
Zij die alle stilte vrezen
hebben nooit een hart gelezen
hebben nooit geknield.

Guido Gezelle.

Terug naar boven

Nieuw inzicht, wat is blijvend?

Ikzelf vind de teksten van Paulus in het algemeen lastig. Een lezing uit Paulus brieven wekt bij mij bevreemding. Ik vind de zinnen die Paulus schrijft ingewikkeld en snap meestal de samenhang niet. De toon van Paulus ervaar ik als stellig en betweterig. De onderwerpen die Paulus bespreekt doen mij denken aan een dogmatische manier van geloven. En toch deze lezing.

De reden dat ik ermee heb ingestemd om over deze lezing te spreken is een soort koppigheid. Ik wil iets met die Paulus die het christendom zo heeft gestempeld en die ik niet kan negeren omdat hij in ons westerse christendom alom tegenwoordig is. Ik wil iets met die weerbarstige teksten die zoveel betekenissen hebben gekregen en die ook mijn opvattingen over geloven, over God en over het leven hebben beïnvloed. Desnoods wil ik het met Paulus oneens zijn, maar dan wel doordacht. Misschien dat ik zelfs hoop dat ik ondanks, of misschien juist door mijn moeite heen iets ontdek wat mij opent en het leven nieuw laat beschouwen.

Maar daarvoor moet ik wel proberen voorbij mijn vooringenomenheid te komen, misschien zelfs voorbij 20 eeuwen interpretatie. Daarom heb ik geprobeerd Paulus beter te begrijpen en te plaatsen in zijn tijd. Ik moet u zeggen dat dat mij al veel heeft geholpen om Paulus milder te beschouwen. Ik heb veel ontdekt over zijn stijl en zijn opvattingen. Zo blijken zijn toon en de redeneertrant geen irritant trekje van Paulus, maar passen ze bij de rondtrekkende filosofen van zijn tijd.
Zijn kromme redeneringen aan de hand van Bijbelcitaten blijken te voldoen aan de exegeseregels van Hillel en andere Joodse Torahuitleggers. Paulus misbruikt maar niet lukraak elke tekst die in zijn straatje past, maar hij probeert zorgvuldig en ambachtelijk zijn visie te onderbouwen en anderen hiervan te overtuigen.
Ook de opvattingen van Paulus blijken in zijn tijd minder vreemd. In een samenleving waar iedere bedrijfsborrel samenging met een offerritueel is het idee van de kruisdood van Jezus als een ultiem offer minder vreemd en verwerpelijk dan wij ons nu kunnen voorstellen. En het idee van een lijdende rechtvaardige die opstaat uit de dood blijkt in de eerste eeuw voor Joodse hoorders een bekend thema.
En het geloof van Paulus dat hij leefde in een eindtijd met een ophanden zijnde dag der wrake was een wijdverspreide visie.

Paulus stijl en opvattingen zijn minder vervreemdend binnen het denkraam van de eerste eeuw. Blijkbaar komt een deel van mijn moeite voort uit de culturele en historische afstand en lost enig begrip van zijn tijd al veel op. Maar een ander deel blijft. Dat komt denk ik door het gewicht dat Paulus door de eeuwen heeft gekregen. Waar velen door de eeuwen heen zich bevrijd voelden door de woorden van Paulus denk ik nu weleens dat wij bevrijd moeten worden van Paulus, of althans van een te smalle of te stellige lezing. Misschien moeten wij weer leren de menselijke kant van de brieven te horen.

Wat mij getroffen heeft bij het lezen van Paulus is zijn overtuiging dat hij iets nieuws op het spoor is. Iets dat hem ertoe beweegt om alles waarvan hij tot dan overtuigd is te heroverwegen. Dan zie ik Paulus als een mens die met hart en ziel zoekt. Die in zijn brieven in gesprek, misschien niet eens in de eerste plaats met de mensen aan wie hij de brief schrijft, maar meer nog met zichzelf en met zijn eigen traditie, zoekend en wegend. Zijn nieuwe ontdekking heeft hem zo ontwricht dat zijn bestaan in een nieuw licht is komen te staan. Vaste overtuigingen en zekerheden zijn omgevallen en hij moet zichzelf opnieuw uitvinden.

Als ik zo luister herken ik iets van mijn eigen zoektocht. In gesprek met de traditie die mij vormde en zoekend naar zekerheden. Ik voel weer iets van de twijfel en de ontwrichting die mij soms kan overvallen: wie ben ik, wat is belangrijk voor mij, wat is de kern van mijn bestaan en hoe ben ik verbonden met de mensen om mij heen?

Ik weet niet of u zo’n gevoel van ontwrichting kent. Misschien is ontwrichting wat sterk uitgedrukt.. Misschien is het onrust, onzekerheid die zo nu en dan de kop op steekt. Bijvoorbeeld bij keerpunten. Soms verwacht: overgangsmomenten, je ging uit huis, je veranderde van baan, je ging met pensioen; soms minder verwacht: er kwam iemand in je leven, er overkwam je iets; soms misschien veranderingen die sluipenderwijs gingen: ineens ontdek “ik ben niet meer wie ik was, ik vind niet meer wat ik vond”.
De wereld heeft dan niet meer de betekenis en samenhang die ze had. Je herkent jezelf niet meer en voelt je een vreemde tussen mensen die vertrouwd waren. Misschien is zo’n zoeken naar ‘wie ben ik’, in relatie met mijzelf, anderen, de wereld, zelfs typerend voor ons bestaan. Zoekend naar wegen in een wereld waarin zekerheden nooit onwrikbaar zijn, waar je steeds dingen achter je moet laten, levend met de vraag “wie ben ik, wat is de essentie, de bron waaruit, waartoe ik leef”.

Overtuigingen kunnen wankelen en kunnen omvallen. In die ruimte tussen brokstukken zoeken mensen houvast, een basis van vertrouwen. Door alle redeneringen van Paulus heen lees ik iets van die crisis, van het verlangen naar houvast en veiligheid. Zittend tussen de brokstukken vindt Paulus dan de aartsvader Abraham. Voor Paulus was Abraham op dat moment misschien wel net zo’n weerbarstig persoon als Paulus nu voor ons kan zijn. Abraham gold namelijk als de rechtvaardige-bij-uitstek, dé stamvader van de besnedenen, de vleeswording van de religie waar Paulus zelf min of meer vanaf was gevallen. Worstelend met zichzelf en zijn traditie herkent Paulus in Abraham een lotgenoot. Abraham die niet terug kon vallen op wetten en rituelen, maar enkel leefde vanuit vertrouwen op een belofte.

Net als Abraham grijpt Paulus zich vast aan een belofte, bouwt hij zijn leven op vertrouwen. Paulus ontdekt wat velen voor en na hem hebben ontdekt, dat de kern van ons bestaan niet te vinden is in een bouwwerk van zekerheden, niet in het vasthouden aan de juiste tradities, meningen of gebruiken. Juist wanneer wij toegeven dat in al onze stelligheid wij toch ook met lege handen staan, wanneer wij onze zekerheden loslaten, kan er iets oplichten van de essentie van ons bestaan, van nieuw geloof. Dit hoor ik ook in een gedicht van Reve: Eigenlijk geloof ik niets, en twijfel ik aan alles, zelfs aan U. Maar soms wanneer ik denk dat gij waarachtig leeft, dan denk ik dat gij liefde zijt, en eenzaam, en dat, in zelfde wanhoop, Gij mij zoekt zoals ik U.

Dat inzicht van vertrouwen zonder weten, van hoop tegen alle hoop in herken ik bij Paulus. Paulus beschrijft dat in de woorden en beelden van zijn tijd voor ons soms moeilijk te vatten of aanstootgevend. Of soms misschien met meer betekenis dan ik op dit moment met mijn perspectief kan doorgronden. Voor Paulus heeft dat te maken met ‘Jezus de Heer, opgewekt uit de doden’. En ja, ook voor mij heeft dat te maken met opstaan, uit vertwijfeling en dood, met leven open en ontvankelijk, vertrouwend op het Leven, op de Levende zelf. Moge het zo zijn.

Lezing: (een selectie uit) Romeinen 4.
Alle Jonkman
(bron o.a.: Bert Jan Lietaert Peerbolte, Paulus en de Rest, Van farizeeër tot profeet van Jezus, Zoetermeer 2010)

Terug naar boven

Geen komen geen gaan

Ik ben niet dit lichaam,
mijn zijn is niet beperkt tot dit lichaam.
Ik ben grenzeloos leven,
ik ben nooit geboren
en ik ben nooit dood gegaan.

Kijk naar de oceaan vol leven,
kijk naar de hemel vol sterren,
verschijningsvormen van mijn ware aard.

Voor het ontstaan van de tijd was ik reeds vrij
Geboorte en dood zijn enkel deuren
waar we doorheen gaan,
heilige drempels op onze reis.
Geboorte en dood zijn verstoppertje spelen.

Laten we samen lachen,
hou mijn hand vast.
We zeggen nu vaarwel
om elkaar spoedig weer te ontmoeten.

Bij de bron komen we elkaar tegen,
ieder moment opnieuw.
Vandaag ontmoeten we elkaar,
morgen zullen we elkaar weer ontmoeten.
We ontmoeten elkaar in iedere vorm van leven.

(Thich Nhat Hanh)

Terug naar boven

De natuurlijke neiging tot onverdraagzaamheid ...

De brenger van de Soefi Boodschap voor deze tijd, Hazrat Inayat Khan, biedt ons de volgende gedachtegang aan:

Naarmate iemand zich spiritueel ontwikkelt, lijkt hij boven de natuurlijke neiging tot onverdraagzaamheid uit te stijgen, omdat hij behalve zich zelf en de ander, God begint te zien.

Als twee mensen elkaar verdragen omdat ze aan God denken als hun Schepper en onderhouder, dan zijn zij meer ontwikkeld, omdat zij dan iedereen kunnen verdragen van welk land of ras hij of zij ook is, welke vorm of naam hij of zij ook heeft.

Verdraagzaamheid wordt geleerd door de liefde voor God te hebben.

Een andere gedachte van hem:
Hij die verwacht de wereld te kunnen veranderen zal teleurgesteld worden, hij moet zijn inzicht veranderen. Wanneer hij dit gedaan heeft zal verdraagzaamheid komen en zal er niets zijn wat hij niet verdragen kan.

Dr. H.J.Witteveen legt in zijn boek: Universeel Soefisme,de nadruk op de praktische regel:
Dat wij moeten vermijden andere mensen te veroordelen en te bekritiseren. Wij zijn maar al te zeer geneigd dat wel te doen. Onze psyche houdt er van anderen op grond van ons eigen standpunt te analyseren. Dat geeft ons het gevoel dat wij beter zijn. Maar als wij onze psyche op de zwakheden en tekortkomingen van anderen richten, dreigen wij in werkelijkheid, deze zwakheden in onszelf in het leven te roepen en aan te moedigen. En de relatie met iemend anders, op wie wij kritiek hebben, wordt er ongunstig door beïnvloed -.

Tot slot zegt Hazrat Inayat Khan:
De enige weg om te midden van onharmonische invloeden te leven is de wilskracht te versterken en alle dingen te verdagen en toch een zuiver karakter te behouden en een waardige houding, tezamen met een altijd levend hart vol liefde-

Bronnen:
1) Harat Inayat Khan, De Beker van Saki 18 februari
2) Dr.H.J. Witteveen, Universeel Soefisme Hfdst. Morele evolutie pag.149
3) Hazrat Inayat Khan, De Beker van Saki 13 september

Terug naar boven

Prof. Dr. Witteveen, een bezielde visie: Soefisme en economie opnieuw bezien

In dit boek, dat in 2010 werd gepubliceerd, heb ik de relatie tussen deze twee schijnbaar zo tegengestelde terreinen ook historisch nagegaan. Mijn conclusie was dat het van groot belang zou zijn dat er een dieper verband tussen beide zou ontstaan. Ik bepleitte daarom het spiritualiseren van de economie. Ik versta daaronder dat meer mensen een spiritueel perspectief beginnen te krijgen: er bewust van worden dat er naast de materiële ook een spirituele wereld bestaat – een wereld die wel hemels of goddelijk genoemd is – waarin een veel dieper geluk te vinden is voor wie dat gaat zoeken en er ook aan toekomt. Zo’n perspectief kan leiden tot een houding, waarbij de volgende aspecten te zien zijn:

Een streven om alle verplichtingen zorgvuldig na te komen en bij op het doel gerichte activiteiten medemensen niet onrechtvaardig te behandelen of te schaden. Eerlijkheid past daarbij.
Er ontstaat een streven naar harmonie met medewerkers – door ook te luisteren en te motiveren – en met de omgeving; Een streven naar evenwichtige groei van bedrijven, niet door grote uit ambitie voortkomende overnames. Ook in het persoonlijk leven van leiders wordt een evenwichtig ritme nagestreefd, waarbij tegenover alle activiteit plaats is voor de nodige rust; In die rust kan ook een opening zijn voor inspiratie die de juiste oplossingen doet zien voor complicaties en problemen waar het bedrijf in verwikkeld kan raken; In samenhang met punt 2 wordt voldoende rekening gehouden met andere belangen dan de directe winst: andere ‘stakeholders’ en het milieu.

Ontwikkeling van een superkapitalisme
In Soefisme en Economie beschreef ik hoe de vrije markteconomie zich begon te ontwikkelen tot wat wij een ‘super-kapitalisme’ kunnen noemen. Die ontwikkeling heeft zich in de laatste tien jaar nog voortgezet. Kenmerken zijn:

Het risicodragend kapitaal is dominant geworden. De macht van aandeelhouders is gegroeid, zodat het doel van de onderneming steeds meer wordt het maximeren van de aandeelhouderswaarde; Het doel van een onderneming is dus niet alleen meer winst, maar winststijging, zodat de aandelenkoers hoog wordt in de verwachting van toekomstige stijgingen; Er is een voortdurende innovatie die door grote ondernemingen in omvangrijke researchfaciliteiten systematisch wordt vervolgd; Dit vraagt grote inspanningen en als extra impuls hiervoor zijn steeds meer beloningen in de vorm van opties en bonussen ontstaan; Dit hele groeiproces is geglobaliseerd en zet zich nu sterk voort in Zuid-Oost Azië, China en met name India; Door de op groei en innovatie gerichte concurrentie is het kapitalistische systeem tot een groeimachine geworden waar geen onderneming, geen medewerker en geen land zich kan veroorloven erbij achter te blijven; Het tempo van deze groei dreigt zich telkens te versnellen en kan dan tot een omslag leiden (de internet-bubble).

Zo worden steeds meer mensen meegesleept in de roes van geld verdienen en consumeren, steeds materialistischer. De ontwikkeling is dus tegengesteld geweest aan wat ik bepleitte: het spiritualiseren van de economie.

De rol van het bankwezen
Die ontwikkeling is nog versterkt doordat de banken en andere financiële instellingen in de afgelopen hausse een overheersende rol hebben gespeeld met een overtrokken expansie, die nu is ontspoord. Die bedrijfstak is zo essentieel en centraal voor de gehele economie – waar zij de financiële bloedsomloop verzorgt – dat de crisis die wij nu beleven heel ernstig is. In deze fantastische ontwikkeling van het financiële systeem was geen enkele ruimte voor een meer spirituele instelling.

Er waren vaak transacties die zelfs voor de cliënten van de bank schadelijk waren. Dit is in de hand gewerkt doordat het bankieren abstracter is geworden: meer gericht op ‘producten’ in plaats van klanten. Die producten waren bijvoorbeeld combinaties van beleggingen in tal van hypotheken of verzekeringen tegen bepaalde risico’s. Die producten waren vaak onoverzichtelijk. Wij hebben gezien hoe bijvoorbeeld de grote bank Goldman Sachs bepaalde producten verkocht aan beleggers en tegelijk zelf speculeerde op de daling van die producten. Er was geen harmonie in deze groei: geen aandacht voor andere belangen dan de eigen winst en het aandeelhoudersbelang. Deze onevenwichtige groei was sterk gericht op winststijging op korte termijn.

Het zo geleide bankwezen heeft aanvankelijk enorme winsten gemaakt en kolossale bonussen uitgekeerd. Het is heel sterk gegroeid: het aandeel van het financiële systeem in het Amerikaanse nationaal product is verdubbeld. Maar na de omslag ontstonden enorme verliezen die veel dramatische gevolgen voor mensen hebben veroorzaakt en zich als een olievlek overal hebben verspreid, zodat grote faillissementen dreigden. De overheden hebben nu vele grote banken “too big to fail” met gigantische leningen moeten redden. Alleen Lehman Brothers heeft men failliet laten gaan en dat trok een geweldig spoor van verliezen door het wereldbankwezen. Intussen werden de bonussen uit de afgelopen periode natuurlijk niet terugbetaald. Dit gaf politiek groot onbehagen. Zo wordt nu in Europa en in Amerika gediscussieerd over een betere regulering van het bankwezen, maar de banken lobbyen daar hevig tegen. Het probleem is dat die banken in sommige opzichten machtiger zijn geworden dan overheden. De omvang van de kapitalen waarover zij kunnen beschikken, is heel sterk gegroeid. Het totaal van alle financiële waarden uitzettingen van banken en op obligatie- en aandelenmarkten uitstaande effecten was in 1980 106% van het wereld nationaal product. Maar in 2008 is dit gegroeid tot 360% van dat nationaal product en valutareserves van de centrale banken zijn maar een heel klein gedeelte: 7 biljoen dollar van de 221biljoen dollar van het totaal in 2008. Bovendien hebben overheden vaak grote schulden aan banken.

Door de onmisbare functie van de banken met hun kredietverlening aan het bedrijfsleven hebben overheden zich bovendien gedwongen gezien de banken met ultra lage rentestanden van de Centrale Bank gelegenheid te geven weer grote winsten te maken, zodat zij zich kunnen herstellen en weer de nodige kredieten kunnen geven. Zo ontstaan ook weer grote bonussen, waar veel discussie over komt.

Keynesiaanse conjunctuurpolitiek
Hier komen wij tot een groot verschil tussen de huidige crisis en die van de 30’er jaren. In de jaren dertig onthielden de overheden zich in het algemeen van steun aan banken die in moeilijkheden kwamen. Daardoor zijn er veel faillissementen geweest, waardoor een diepe depressie kon ontstaan. De banken hebben daardoor wel een les meegekregen en zijn daardoor voorzichtiger geworden. In die tijd probeerden regeringen door de depressie veroorzaakte tekorten op de begroting zoveel mogelijk weg te werken door bezuinigingen en belastingverhogingen. Dit verergerde de depressie. Nu hebben wij geleerd van de visie van Keynes in zijn “General Theory of Employment Interest and Money” van 1936, die nu ondanks alle vroegere kritiek op grote schaal is toegepast. De meeste regeringen hebben de uitwerking van de depressie op het begrotingstekort geabsorbeerd, zodat een zekere automatische stabilisatie werd bereikt. Bovendien zijn vaak nog extra uitgaven gedaan om de conjunctuur te stimuleren. Door die maatregelen en de zeer expansieve monetaire politiek van de centrale bank met een ultralage korte rente is de recessie nu geremd en is geen depressie ontstaan. Het herstel is geleidelijk begonnen.

Maar dit heeft natuurlijk geleid tot aanzienlijke begrotingstekorten in vele industriële landen. Die moeten natuurlijk weer worden weggewerkt. Gedeeltelijk gaat dat vanzelf door het herstel van de conjunctuur. Waar nodig – voor zover te grote structurele tekorten zijn ontstaan - moeten daartoe ook maatregelen – bezuinigingen of belastingverhogingen worden doorgevoerd, maar dat moet geleidelijk gebeuren om het herstel niet teveel te verstoren.

Er is nu echter grote onrust ontstaan in de financiële markten over een aantal Zuid-Europese landen, waar grote tekorten zijn ontstaan en in sommige gevallen ook de schuldquote hoog is (schuld tegenover het nationaal inkomen). Daardoor moeten die landen nu een hogere rente betalen om de tekorten te financieren. In zekere mate is dat gezond, maar ook hier heeft het bankwezen zich aan speculatieve overdrijving schuldig gemaakt. Eerst werden groeiende tekorten grotendeels genegeerd; soms boden bijzondere banken (Goldman Sachs) hulp aan landen om de groeiende schuld te verbergen! Al die tijd zijn de grote tekorten voor belangrijke bedragen door Europese banken gefinancierd. Nu worden die landen door een ultrahoge rente op hun schulden gedwongen hun begrotingstekorten sterk terug te brengen, waardoor hun conjunctuurherstel kan worden afgebroken. Dat gebeurt nu, maar de markten blijven die hoge rente vragen ondanks de effectieve maatregelen die onder toezicht van het Internationale Monetaire Fonds worden genomen. Tegelijkertijd is door de Europese Unie en het Fonds een omvangrijke financiële steun beloofd. Zo wordt de conjuncturele begrotingspolitiek nu gefrustreerd en de Europese Monetaire unie bedreigd. Maar dat is ook een uitdaging die de EMU er nu toe lijkt te kunnen brengen om de Monetaire Unie te completeren en te versterken met een werkzame coördinatie van de begrotingspolitiek en het economische beleid.

We moeten dus concluderen dat de industriële economieën steeds meer worden beheerst door een financieel systeem dat sterk materialistisch en winstgericht is en machtiger wordt dan overheden. Dit trekt een onevenwichtige lijn in de economische ontwikkelingen.

Zuid-Oost Azië en China
Tegenover deze uiterst zorgelijke ontwikkeling in de industriële landen staat een volkomen tegengestelde gang van zaken in Zuid-Oost Azië en met name in China. Die economieën zijn nu volledig opgenomen in het wereldhandelssysteem. Zij hebben op basis van hun zeer overvloedige en goedkope arbeidskrachten een uitzonderlijk snelle groei van de export en de industrie bereikt (boven 10%). Dit werd ook gestimuleerd door invoer van kapitaal en technologie uit de industriële landen. Dit is een heel nieuw element in de huidige wereldeconomische situatie. Op de wereldmarkt is de productiefactor arbeid, vooral de ongeschoolde arbeid, overvloediger geworden en daardoor is een sterke druk gekomen op de ontwikkeling van de reële lonen in de Verenigde Staten en Europa. De reële lonen zijn de afgelopen tien jaar in Amerika niet gestegen, maar gedaald. De zeer stimulerende politiek van de Amerikaanse Federal Reserve moet ook tegen deze achtergrond worden begrepen: de grote invoer uit China zette een druk op de groei en daartegenover werd een sterke monetaire stimulans nodig geacht. Heel bedreigend is ook dat China geen werkelijk vrije economie is, omdat de staat er een grote greep op heeft en met name de banken beheerst. Ook de wisselkoers van de Chinese valuta, de Yuan, wordt niet op de vrije markt bepaald maar door de centrale bank op een laag niveau gehouden door middel van het opkopen van grote reserves in dollars en andere valuta’s. In China speelt de speculatieve macht van de financiële markten dus geen rol. Internationale kapitaalbewegingen zijn er ook niet vrij. Zo heeft China de omslag kunnen voorkomen. Het niet meer communistische dictatorschap heeft één prioriteit: de groei doorzetten. Dat is aan een kant een positieve kracht in de wereldeconomie, maar heeft aan de andere kant een heel negatieve invloed op de Amerikaanse en Europese industrie. En het geeft grote evenwichtsverstoringen en verschuivingen van financiële macht.

Bij dit alles moet worden bedacht dat in China religie of spiritualiteit zelfs geen enkele rol mag spelen. Het regime is er beangst voor en het wordt streng onderdrukt. Zo is de ontwikkeling inderdaad diametraal tegengesteld aan wat ik bepleitte in ‘Soefisme en economie’.

Het internationale monetaire systeem
Maar de fundamentele oorzaak van deze gevaarlijke onevenwichtigheden tussen China en de industriële landen ligt bij de positie van de dollar als reservevaluta. Zo kunnen de Verenigde Staten er altijd op rekenen dat betalingsbalanstekorten met de eigen valuta kunnen worden betaald. Dan kunnen de overheden met betrekking tot hun begrotingstekorten en de Federal Reserve met hun monetaire politiek alles doen wat voor de Amerikaanse economie wenselijk lijkt. Naast China zijn in de afgelopen jaren ook door Japan en de rijke olielanden in het Midden Oosten grote overschotten opgebouwd. Daardoor is een grote stijging ontstaan van de internationale liquiditeit – de beschikbaarheid van geld tegen een lage rente. Dit heeft de afgelopen hausse en de riskante uitbreiding van bankkrediet gestimuleerd. Het grondprobleem is dus dat de Amerikaanse politiek gericht is op wat de Federal Reserve als gewenst voor de Amerikaanse economie beschouwt; maar dat de op die manier bepaalde rente op dollarliquiditeit via betalingsbalanstekorten naar de rest van de wereld stroomt. Dat heeft geleid tot sterke en overtrokken stijgingen van kredietverlening en investeringen en het heeft nu tot de huidige ernstige crisis geleid. Deze diepliggende onevenwichtigheid in de internationale monetaire situatie – die eigenlijk geen systeem kan worden genoemd – kan alleen worden overwonnen wanneer de wereld zou overgaan op een internationale reserve, waarvoor de door IMF geschapen speciale trekkingsrechten klaarliggen. In de statutenwijziging van het IMF is destijds (1976) vastgelegd dat de speciale trekkingsrechten de “primary reserve asset” in het monetaire systeem zouden moeten worden. Dit is niet gebeurd, omdat zoveel dollars in de internationale circulatie zijn gebracht dat er tot de huidige crisis geen behoefte was aan de schepping van de extra speciale trekkingsrechten (SDR) en de Verenigde Staten zullen het grote voorrecht dat zij hebben in de mogelijkheid om tekorten in eigen valuta af te rekenen niet gauw opgeven. Want het is juist daardoor dat de dollar nu stand houdt, ondanks een Amerikaans begrotingstekort dat in verhouding even groot is als het Griekse: groter dan 11%. Maar zo maken zij zich op den duur een onbetrouwbare behoeder van die reservevaluta. Toch staat het onderwerp nu op de internationale agenda, omdat China er interesse in heeft getoond (de gouverneur van de Chinese centrale bank heeft de wenselijkheid om over te gaan tot SDRs als reservevaluta onderschreven). Maar China, dat zelf zulke gigantische dollarreserves heeft opgebouwd, ziet in dat de overgang naar een SDR-systeem hoogstens een langzaam en geleidelijk proces kan zijn. Wij moeten dus voorlopig met het huidige niet-systeem blijven werken. Wel moet een eerste stap zijn om in de nieuwe Groep van 20 (die meer dan 90% van de wereldhandel omvat) evenwichtsherstel aan de orde te stellen. In de Groep van 20 is dat ook besproken. Met advies van het IMF zou dan “peer pressure” op de betrokken landen moeten worden toegepast.

Wat te doen?
In ‘Soefisme en economie’ heb ik onderstreept dat een werkelijke verandering alleen kan ontstaan, doordat geleidelijk het verlangen naar een meer spirituele instelling ontstaat. Voor mij is het universele soefisme daarvoor de mooiste inspiratiebron. Dit soefisme stamt af uit de oudste Hermetische wijsheid van de Egyptische mysteriën en geeft in een moderne vorm diepgaande antwoorden op de vragen van deze tijd. Ook opent het de weg naar een diepe beleving van spiritualiteit die tot een verzoenende visie op alle grote religies leidt. Maar het Soefisme of andere vormen van spiritualiteit moeten in het hart tot leven komen; die kunnen niet door overheidsmaatregelen worden opgelegd. Wij kunnen hopen dat de huidige financiële crisis veel mensen aan het denken brengt en dat dit ook stimuleert om meer aandacht aan de spiritualiteit te geven. In dit verband is ook het onderwijs van groot belang. Ik wees er in Soefisme en Economie al op dat hier naast alle technische kennis weer aandacht moet worden gegeven aan de belangrijke spirituele en religieuze levensvragen.

Daarnaast blijft het belangrijk om tegenover de geweldige aantrekkingskracht van de kapitalistische groeimachine en het consumentisme afremmende krachten te scheppen. In Soefisme en Economie bepleitte ik daartoe een belasting op reclame die zo’n aanjagende kracht is voor het consumentisme en dus materialisme en sensatie. Ook in de huidige bankencrisis hebben verleidelijke reclamecampagnes om meer consumentenkrediet op te nemen en meer huizen met hypotheken te kopen een aanjagende rol gespeeld. Een belasting op die reclame zou op die overtrokken ontwikkeling een rem zetten. De opbrengst van zo’n belasting zou natuurlijk voor goede doelen kunnen worden gebruikt, zoals meer inspirerende programma’s op de televisie of meer maatregelen voor het milieu.

Overheden zoeken nu naar een betere regulering van de banken. Dat is zeker nodig. Regulering van de banken heeft ook jaren goed gewerkt maar is juist in deze hausse bewust door de Federal Reserve buiten werking gesteld, omdat die hausse en de koop van woningen door de politiek graag werden gezien. Er zal dus wel weer een wat betere regulering komen, maar het is de vraag of dat voldoende zal zijn. De financiële instellingen weten vaak wegen te vinden om aan lastige regels te ontkomen en geleidelijk en mogelijk zullen geleidelijk de toezichthouders – die het voordeel zien van een grote en succesvolle financiële sector in hun land regels weer soepeler gaan toepassen.

Er lijkt dus een systeemverandering nodig. Zo heeft de zeer deskundige vroegere voorzitter van de Federal Reserve Paul Volcker daarom voorgesteld een splitsing af te dwingen tussen depositobanken die besparingen verzamelen en waarop een overheidsgarantie nodig is en financieringsbanken die met die besparingen speculeren en dus risico lopen. Zij zouden dan niet door overheden hoeven te worden gered, zodat zij voorzichtiger blijven. Het lijkt echter de vraag of de financiële samenhangen in het systeem niet zo sterk zijn dat dit moeilijk kan slagen. Een effectieve rem in het systeem zou de Tobin tax kunnen zijn, een belasting op alle financiële transacties. Ook met een laag tarief zou dat een sterke rem zijn op alle steeds snellere speculatievere transacties. Er is over die Tobin tax een discussie geweest en het leek technisch mogelijk, maar het verzet van de banken is tot nu toe te groot gebleken en zo’n belasting zou ook internationaal moeten worden ingevoerd. Het Internationale Monetaire Fonds heeft nu andere belastingmaatregelen gesuggereerd – waarbij het motief ook zou zijn dat de winsten van banken ver boven een concurrerend niveau hebben gelegen. Die Financial Activities Tax zou een belasting zijn op de stijging van de winst en bonussen of andere hoge inkomsten boven een redelijke beloning van het kapitaal en de inspanningen van leiders en employees. Zo zou die belasting juist de te sterke risicovolle groei kunnen afremmen.

Belangrijker dan dit alles zou een poging zijn om de instelling van leiders in het bedrijfsleven om te buigen. Hierbij speelt vaak een zekere massapsychologie. Indrukwekkende voorbeelden worden gevolgd. Hoe meer leiders volgen, hoe meer anderen het ook noodzakelijk vinden. Vroeger was het bankiersvak een mooi beroep, waarbij dienstverlening aan de klanten vooropstond. Bedrijven te helpen te groeien maar ook uit problemen te komen wanneer zich tegenvallers hadden voorgedaan. Persoonlijke relaties speelden daar een grote rol bij en de banken moesten vertrouwen uitstralen. We hebben nu wel gezien dat het bankwezen volledig op dat vertrouwen berust.

Na de jaren tachtig hebben we die omslag bij de ABN AMRO bank gezien van een prioriteit van dienstbaarheid naar maximale winstgroei. Ik wil dus de vraag stellen of de overheid, die nu enkele grote banken praktisch heeft overgenomen of met financiële steun afhankelijk heeft gemaakt, in de leiding van die banken mensen met zulke idealen zou kunnen benoemen. Daarbij moet dan wel onder ogen gezien worden dat dan niet de snelle en hoge winsten van vroeger zullen ontstaan. Wat dat betreft, zou een offer nodig zijn maar het zou beter en veiliger zijn voor de toekomst.

Misschien zou de mogelijkheid bestaan om voor zo’n beleid een speciale onderscheiding in uitzicht te stellen, een onderscheiding op basis van zorgvuldig onderzoek van het beleid van een bank die dan een groot prestige zou kunnen geven. Vaak ging het bij het overtrokken winststreven ook vooral om prestige. Zo zou een eerste stap kunnen worden gezet naar een meer spirituele instelling door zo’n ombuiging van het ideale leiderschap.

Dr. H.J.Witteveen,
Voormalig minister van Financiën en voormalig topman IMF.
Voorman Soefi Beweging Nederland.

Terug naar boven

Het recht op geluk

Ik geloof dat de werkelijke zin van ons leven het zoeken naar geluk is. Dat is duidelijk. Of je nu religieus bent of niet, of je nu gelooft in die of die godsdienst, we zijn allemaal op zoek naar iets beters in het leven. Daarom denk ik dat het leven werkelijk gericht is op geluk….. Met deze woorden, uitgesproken voor een groot publiek in Arizona, raakte de Dalai Lama de kern van zijn boodschap.

“Bent u gelukkig?” vroeg ik aan hem. “Ja,”zei hij, “ja, absoluut.” Er lag een stille oprechtheid in zijn stem die geen twijfel toeliet, een oprechtheid die werd weerspiegeld in zijn gelaatsuitdrukking en ogen. “Maar is geluk voor de meesten van ons een reëel doel?”vroeg ik. “Is het echt mogelijk?” “Jazeker, ik ben ervan overtuigd dat je geluk kunt bereiken door de geest te oefenen.” Freuds opvatting was dat men geneigd is aan te nemen dat de bedoeling dat de mens gelukkig moet zijn, niet behoort tot het plan van de Schepping. Door dit soort onderricht ( de schrijver is psychiater) waren velen in mijn vak tot de conclusie gekomen, dat je niet meer kon verwachten dan de transformatie van hysterische ellende in gewone ongelukkigheid. Vanuit die invalshoek leek de bewering dat er een duidelijk omlijnd pad naar geluk bestond een nogal radicale gedachte. Het idee dat je het ware geluk kunt bereiken, heeft, in het Westen, altijd slecht gedefinieerd, vaag en ongrijpbaar geleken. Het lijkt erop dat de meesten van ons geluk als iets mysterieus zien. Op de momenten van vreugde die het leven biedt, krijgen we het gevoel dat geluk zomaar uit de lucht komt vallen. Het leek mij niet iets dat je kon ontwikkelen, en vasthouden, door simpelweg de geest te oefenen.

Toen ik dit bezwaar maakte, liet de uitleg van de Dalai Lama niet lang op zich wachten. “Wanneer ik in deze context zeg “de geest oefenen”, bedoel ik met geest niet alleen iemands cognitieve vermogens of intellect. Ik gebruik de term eerder in de zin van het Tibetaanse woord “Sem”, dat een veel bredere betekenis heeft en meer in de buurt komt van “psyche” of “ziel” . Het omvat “verstand en gevoel , hart en geest”. Door het bewerkstelligen van een zekere innerlijke discipline kunnen ons gedrag, onze gehele zienswijze en aanpak van het leven een transformatie ondergaan.

Wanneer we het hebben over die innerlijke discipline, kunnen daar natuurlijk veel dingen, veel methoden, bij komen kijken. Maar over het algemeen ga je eerst bij jezelf vaststellen welke factoren leiden tot geluk en welke factoren tot lijden. Als je dit hebt gedaan, begin je de factoren die leed veroorzaken geleidelijk te elimineren, en de factoren die leiden tot geluk te cultiveren. Dat is de juiste methode.

Als vanzelfsprekend recht hebben op geluk bestaat niet. Je zult er echt zelf werk van moeten maken.

Een bescheiden bewerking uit: De kunst van het geluk door de Dalai Lama en Howard Cutler.
Uitgeverij Nirwana.
ISBN: 9789045304465

Terug naar boven

Wees jezelf, er zijn al zoveel anderen.....

Loesje.

Terug naar boven

Een gezegend kerstfeest wat u ook gelooft

In de voorbije kerstnacht is overal dat mooie romantische geboorteverhaal van Lucas gelezen: Over het kindje in de kribbe, over Maria en Jozef, engelen en herders. Maar nu heeft het kerstverhaal geklonken zoals Johannes dat schreef voor zijn parochie op het einde van de eerste eeuw. Die parochianen hadden zelf Jezus al niet meer meegemaakt, net zo min als wij. Het verhaal van Lucas moeten ze zeker gekend hebben. Maar het ging Johannes er om dat ze de betékenis van dat romantische kerstverhaal zouden inzien en dat ze net als hij enthousiast zouden worden over de levensvisie van Jezus. Hij schrijft zijn verhaal als een gedicht, een hymne, zó mooi, zo indrukwekkend: je durft er bijna niets over te zeggen. Wat mij zo treft is dat hij zulke prachtige beelden gebruikt voor het geheim dat God is. Vooral dat beeld van Licht dat in de duisternis schijnt.

In oude schriftverhalen kom je Godsbeelden tegen als vader, moeder, herder, reisgenoot. Maar ook licht en vuur, bron van leven, waterstroom, stem in je ziel die je maar niet met rust laat, of diepe stilte. In onze dagen ontstaan weer veel nieuwe beelden voor het mysterie dat God is: prachtig zijn ze soms! God als diepste ziel van mijn bestaan, kracht die mij troost biedt als het leven niet zo loopt zoals ik hoop, wind onder mijn vleugels die mij door het leven draagt. Of levensruimte, ademruimte waarin alles er mag zijn: de zon, de bergen, flora en fauna, liefde en haat, ziekte en dood. Ikzelf ben in die Godsruimte ontstaan. Ik mag er bloeien en zal er vergaan. Och, eigenlijk doet het er niet toe wat je precies over God zegt of zingt, al die woorden en beelden, daar gaat het niet om.

Uiteindelijk vervliegen al die beelden, ze zijn God niet. Het gaat om de grondtoon: het vertrouwen, de overgave aan het Leven dat groter is dan het mijne. Dat ik mij samen met ál wat bestaat en leeft en beweegt, geborgen weet in de ruimte die God is. En dat ik in die levensruimte de stille stem mag horen: heb vertrouwen, open je hart, het is goed, Ik ben er voor je, je mag er zijn en je mag worden wie je in wezen bent. Die aanwezigheid van God, dat gevoel, dat vertrouwen heeft Johannes zo sterk in Jezus ervaren. En wat dát aan een goedheid en een genezing teweeg brengt. En daarom zingt hij dit lied van bewondering over Hem: hoe hij dat Woord van het begin, die Oorsprong van alles, dat Leven, dat Licht, dat Godsgeheim, in Jezus heeft zien gebeuren. En precies dat wenst hij ook zijn parochianen toe.

Niemand heeft God ooit gezien, zegt hij. Maar als je iets wilt ervaren van dat mysterie, van je eigen levensdiepte, van je bestemming, dan moet je niet naar boven kijken. Kijk maar naar deze mooie mens. In Hem breekt het Licht van de Eeuwige door. Eindelijk iemand die vol is van God, vol van zijn Licht, zijn liefde, zijn recht; en die dat uitstraalt heel zijn lieve leven lang. Ik heb het zelf gezien, zegt hij. Ik heb Hem meegemaakt en ik ben helemaal wég van zijn levensvisie. Wat Johannes zo graag wil is dat ook wij God laten plaatsvinden in ons bestaan. Dat wij weer vrijuit gaan leven in de ruimte die God is. Dat zijn Licht ook onze duisternis verlicht. En dat dat dan ook weer, net als bij Jezus, te zien is in ons leven: die rust, dat vertrouwen, die hoop, die liefde. Blijheid ook! Licht van Gods licht in een duistere wereld. Dat ook wij letterlijk schitterende mensen worden, lichtmensen, of zoals Johannes zegt: Godskinderen. Want het echte menszijn krijg je niet automatisch mee bij je geboorte, zegt hij, uit de kracht van de man, uit de schoot van een vrouw. Voluit menszijn heeft hoe dan ook met God van doen. Daartoe moet je opengaan voor dat Godsgeheim, en Hem in je meedragen als je diepste wezen, je hoogste goed. Dat Hij de grond wordt waarop je leeft, je levenskracht zelf, je harteklop.

Hij zou zo graag willen dat al die mensen er voor zorgen dat God op hun gezicht te lezen is, op hun huid geschreven. Dat zij zo op hun beurt de wereld verlichten en met elkaar onze lieve oude aarde leefbaar maken. Om dat bericht te horen en door te geven, om daarover te bidden en te zingen, daarom komen zoveel mensen bij elkaar met Kerstmis. Misschien kunt u niet eens precies zeggen wat u zoekt. Maar we voelen allemaal heel goed aan waar het onder de woorden, in de gezangen, achter de beelden en gebaren om gaat; namelijk dat er ook in onze hectische wereld en in ons eigen leven Licht blijft schijnen dat niet door de duisternis wordt overmeesterd. Het heeft niet zoveel zin om de duisternis van onze dagen hier breed uit te meten. Daar weet u alles van. En als je het nieuws een beetje volgt, dan denk je wel eens: Dat van die vrede op aarde, waar we over zingen, zou daar ooit wel wat van komen? Soms kun je daar haast niet meer in geloven, gewoon door alles wat je om je heen ziet gebeuren. Dan kun je opgesloten raken in jezelf, in het duister, in je ziekte, je gemis, je zwaarmoedigheid of cynisme. Dat licht van Gods licht dringt gewoon niet meer binnen omdat je vensters gesloten zijn. “Hij kwam in het zijne, maar de zijnen aanvaardden Hem niet”, zingt Johannes. En dan krijgt het noodlot het alleenrecht en wordt het leven een zware last. Voor al die mensen en voor onszelf ook vieren we daarom opnieuw de geboorte van dat mensenkind Jezus, in wie dat Licht volop doorbrak en die we tot op de dag van vandaag maar niet kunnen vergeten.

Het zou mooi zijn als wij op dit kerstfeest weer open zouden kunnen gaan, vol verwondering en verwachting. Dat er een vonk overspringt van dat grote Licht en dat we besluiten om weer plaats te maken voor God in ons leven. Dat Hij de ruimte mag zijn waar in we leven. Dat wij weer wandelen met Hem en Hem ronddragen als bron van levenskracht, als nieuw begin van liefde en saamhorigheid. Dat we als het ware Jezus Christus met ons meedragen en met Hem durven hopen op een andere betere maatschappij, met menselijker mensen en een liever leven. Dat we net als Hij in God weer een anker vinden, houvast en levenskracht bij alles wat ons overkomt. En dat we ons voegen bij al die ongekende, onschatbare liefde, ontferming, al die onbaatzuchtigheid die er al is bij zoveel mensen. Veel te weinig, zeker, maar nog steeds meer dan genoeg om de moed erin en de wereld overeind te houden.

Niemand kan dat volle Licht, dat God is, alleen bergen. En niemand redt het alléén als het erom gaat de duisternis te keren en het kwaad het hoofd te bieden. Maar als we ons Jezus te binnen brengen, zijn manier van leven in de ruimte van God, zijn mensenliefde; en als ons geloof de vorm aanneemt van gemeenschap, één grote beweging van mensen die God meedragen in hun diepste wezen, pas dan houden we op machteloos te zijn.

Natuurlijk, het blijft een keuze die je zelf als gelovige maakt. Het heeft alles te maken met de manier waarop je naar de werkelijkheid wilt kijken. Maar ik kies ervoor om met Jezus en met christenen van alle tijden te blijven uitzien naar zo’n nieuwe wereld. Want ik vind het een schitterende levensvisie, een prachtig geloof! Ik ben er hartstikke trots op! De meest bondige samenvatting van verbondenheid is het ritueel van brood en wijn: Je houdt je hand op, krijgt een stukje van het ene brood. “Lichaam, leven van Christus”, wordt erbij gezegd. En je besluit bij jezelf: Ja, ik ben ook van dat gebaar, deel van dat geheel. Ik hoor ook bij dat verhaal over licht in de duisternis en over dat wandelen in de ruimte die God is. Ik wil horen bij die geloofsgemeenschap. En je zegt, terwijl je je hand ophoudt en dat brood ontvangt, “Amen”, wat betekent: “Hier ben ik, ik doe mee, kome wat komt!”

Zo wens ik u allemaal een gezegend kerstfeest, toe.

Leo Koerhuis.

Terug naar boven

Het leven vieren met liefde en licht

Kaarsen op de krans van groen! Steeds meer licht, als de opkomende zon! Ik vind het prachtig dat wij zo samen het leven vieren in een cyclus van kerkelijke jaargetijden. Want dat toch is liturgie: het leven vieren. Al die leefmomenten van verwachting en verlangen, geboorte en dood, vallen en opstaan, van hoop en vrees, dat alles vieren we hier in een cyclus die elk jaar weer begint met de Advent, de tijd van verwachting en verlangen. En Schriftverhalen geleiden ons daarbij. Bij de meeste verhalen uit de heilige boeken moet je altijd verder kijken dan het eerste gezicht. Haast altijd is er sprake van een symbolische betekenis. Ze gaan immers over de achterkant van het bestaan, over de mysteries van het leven. Vandaag spreken profeten het verlangen in ons aan om weg te trekken uit de ballingschap van vervreemding en ontworteling, weg uit schuld en Godverlatenheid, om weer thuis te komen bij God en bij onszelf. Want we zijn toch geroepen om te allen tijde te leven in de ruimte die God is, ademruimte, levensruimte. De ruimte waarin alles zijn mag: de zon, de bergen, regen, aardbevingen, vloedgolven, dieren en planten, liefde en geluk, haat en nijd, honger en dorst, ziekte en dood. Alles wat leeft en beweegt is bedoeld om te bestaan in die ruimte, in God, geborgen in Hem die de oergrond is, bron van leven, van liefde en licht.

Maar misschien is onze grootste tragiek wel dat wij op onze levensweg telkens weer vervreemd dreigen te raken van onszelf, doordat wij het contact verliezen met die geestkracht die we als kind God leerden noemen. De Goddelijke kracht die ons boven onze beperktheid uittilt, ons doet mens worden en ons verbindt met elkaar en met het grote geheel van leven. Het is tragisch dat wij altijd weer opnieuw wakker geschud en weer tot onze bestemming geroepen moeten worden. Daarom is het maar goed dat het weer Advent is en dat de profeten woorden van troost tot ons spreken en ons oproepen tot ommekeer en terugkeer. Troosten betekent in de Bijbel vooral perspectief bieden, de hoop levend houden, laten zien dat er een einde kan komen aan deze godverlatenheid, deze ballingschap. Misschien is bemoediging daarom een beter woord: ze willen ons bemoedigen, opdat we de hoop op terugkeer en op heling niet verliezen. Ze willen ons geloofsmoed geven: dat we niet cynisch worden bij het zien van zoveel geweld en bij alle narigheid die een mens soms moet meemaken. Dat we ons hart, onze geest, onze ziel, ons diepste wezen niet blijven uitleveren aan negatieve krachten en zo losraken van onze bestemming, onze levensbron, God die zelf ons leven is. Dat we blijven verlangen naar zijn komst in ons bestaan zoals Hij verschenen is in Jezus; en dat wij, met God in ons, mens worden zoals Hij. Want alleen dan zijn wij niet langer overgeleverd aan de machten van de duisternis.

We hoeven daarvoor niet te wachten op de groten van de aarde. Het heil komt echt niet van de zeven onder- en bovenbazen, zoals Lucas die noemt. Het overkomt mensen als Johannes, mensen uit alle volken, die de stilte van de woestijn aandurven. Die de tijd ervoor nemen, rustig worden en stil. Die inkeren en omkeren en zich opnieuw bekleden met Gods nabijheid, die onbedwingbare kracht, dat zielsverlangen, dat ons roept en draagt en gaande houdt. In deze weken van de Advent gedenken wij dus dat wij ons niet moeten neerleggen bij een bestaan waarin wij steeds weer losraken van onze bestemming. Bij een leven los van God en van andere levens; en bij een samenleving die tolereert dat er hele groepen mensen niet mee mogen doen. Waarom nog altijd die vanzelfsprekende overheersing van economische belangen boven solidaire liefde en verbondenheid? Wat voor wereld laten wij, met al ons narcisme, onze zelfzorg en ons Godsgemis, wat voor wereld laten wij na aan onze kinderen als het gaat om lucht en water, om planten en dieren? Hoe vinden wij weer elkaar weer terug in een nieuwe solidaire wereldgemeenschap?

Het is maar goed dat er heel wat mensen zijn die zich daar druk om maken, die telkens weer inkeren en hun verlangens naar een geheelde samenleving blijven koesteren en vieren. En wat goed dat u daarbij hoort! Natuurlijk, er zijn er ook genoeg die niks hebben met die verwachting en dat verlangen naar verbondenheid met God en met het leven van alles en iedereen. Ook wij kennen die momenten maar al te goed. We voelen dan het onrecht en de Godsleegte misschien wel, en op onze beste momenten horen we ook nog wel een stem die ons oproept, maar we doen toch maar liever alsof er niets aan de hand is. Want anders móet je er ook iets mee. Maar als je niet oppast raak je er aan gewend om dat gevoel, die stem, weg te drukken en toe te dekken; en de grote leegte die God achterlaat te vullen met telkens nieuwe materiële zaken, om zo onszelf te troosten. Het werkt niet echt, maar je moet toch wat! Maar ik moet u zeggen: ík zou niet zonder die verwachting kunnen leven. Zij schenkt mij de hoop dat gerechtigheid en heelheid het laatste woord zullen hebben in de geschiedenis, ondanks alle narigheid die ik ook wel om me heen zie. Ze houdt me gaande, geeft me houvast; ze doet me elke keer weer opveren en maakt me gelukkig. En Goddank zijn wij met velen, de eeuwen door en nog steeds, in alle kerken en in alle religies, maar ook daarbuiten. Het gaat niet om vreselijk ingewikkelde idealen. Het heilige verschuilt zich in het meest gewone. Het beste kunnen we in deze tijd van Advent weer eens in onszelf keren. Dat je afdaalt in je ziel. Dat je jouw eigen chaos en je leegte en je spoorloosheid ontdekt en erkent en dat je dan moedig omkeert. Mensen kúnnen dat als ze willen. En dat is ook precies wat ze tot mooie mensen maakt. Er moeten soms wel bergen verzet worden en dalen gevuld. Geen kronkelpaden meer, geen sluipwegen, geen duistere zaken. De weg voor God bereiden vraagt waarachtige ommekeer.

Daarom Advent: Tijd van bezinning over waar het echt om gaat. Nieuwe momenten zoeken van stilte. Je niet zomaar laten meeslepen door de drukte van deze tijd, de kerstkoopwoede, de snelle afleiding. Onderzoeken en onder ogen zien waar je beslist fout zit, waar je afwijkt van je bestemming en waardoor dat komt. Vergeving vragen. Met Johannes het weer wagen om door het water te gaan, dat water dat staat voor de dood en de ondergang van alle leven en dat je altijd weer de diepte in wil zuigen. Samen met Jezus over dat water heen lopen naar de overkant en de mantel van de gerechtigheid weer omslaan, die God ons aanreikt. En zo, in Gods Naam, de duisternis van onze tijd breken, weer op elkaar betrokken raken en voor alle leven zo goed als God zijn. Advent is uiteindelijk: opnieuw verlangen naar de komst van God-met-ons en bidden: Keer je hart tot mij, keer mijn hart in mij.

Leo Koerhuis.

Terug naar boven

"Geloven voorbij grenzen", Manuela Kalsky

Kent u het boek Het leven van Pi? ... Het vertelt het ongelooflijke verhaal van de zestienjarige jongen Piscine Patel, genaamd Pi, wiens vader een dierentuin in India heeft. Wanneer de familie besluit om naar Canada te emigreren, wordt ook een groot gedeelte van de dierentuin ingescheept. Maar het schip vergaat en de enige overlevenden zijn Pi, een zebra, een hyena en ‘Richard Parker’, een Bengaalse tijger van pakweg 200 kilo. 227 dagen dobberen zij met elkaar in een reddingssloep op de Grote Oceaan. En uiteraard gebeurt er dan van alles.

Maar dat moet u in dit prachtige boek van Yann Martel zelf maar lezen, want mij gaat het vanmiddag niet om de fantastische avonturen die Pi op die boot beleefde, maar om de periode in zijn leven die eraan vooraf ging – toen hij besloot naast hindoe ook christen te worden en een jaar later ook nog moslim. Hoe dat kwam? En of het kon? Ik zal het u vertellen: Laat ik beginnen met

Pi, de hindoe

De kiem van geloven werd al vroeg in Pi gezaaid, dankzij de traditioneel gelovige zuster van zijn moeder, Tante Rohini. Kort na zijn geboorte en een zeven uur durende treinreis betrad hij in de armen van zijn moeder de hindoetempel in Madurai, waar Tante Rohini hem vol trots aan de Moedergodin toonde. Hij werd ondergedompeld in de zwoele, van wierook doordrongen, mysterieuze sfeer van de tempel. Een plaats waar Pi zich altijd thuis zou blijven voelen, vanwege “de bewerkte kegeltjes rond kumkumpoeder en de mandjes kokos, de rinkelende belletjes die je komst bij God aankondigen, (…) het geluid van blote voeten op de stenen vloeren van donkere gangen, waar hier en daar een bundel zonlicht doordringt, de geur van wierook, de vlammen van de aratilampen die ronddraaien in het donker, (…) de olifanten die op de zegen staan te wachten, de kleurige wandschilderingen die kleurrijke verhalen vertellen, de voorhoofden waarop in verschillende vormen hetzelfde woord te lezen staat – geloof.” Een op alle zinnen gerichte “sacrale kosmische moederschoot”, waarin rituelen geborgenheid bieden.

Maar religie is voor Pi meer dan rituelen alleen. Het is de plaats die je inneemt in het heelal. Pi gelooft in Brahman, de ‘wereldziel’, die zich in verschillende goddelijke manifestaties, zoals Shiva, Krishna, Shakti en Ganesha, aan het menselijk beperkte voorstellingsvermogen openbaart. Maar die wereldziel is net zo goed in mensen, dieren, bomen en een handvol aarde te vinden, want in alles is volgens het Hindoe-geloof een spoor van het goddelijke aanwezig. Je zou het een spirituele kracht in jezelf kunnen noemen, de ziel die ernaar streeft zich uit te drukken: het eindige binnen het oneindige, het oneindige binnen het eindige.

Pi de christen

Pi was een tevreden hindoe toen hij op veertienjarige leeftijd op vakantie Jezus Christus tegenkwam. Met zijn ouders was hij naar een theeplantage in de bergen gereisd en zag daar, in het dorpje Munnar, voor het eerst een christelijke kerk. Op een dag ging hij op onderzoek uit. Er hing een bordje op de deur van de pastorie waarop stond: “Pastoor” en “Kapelaan” en daarnaast was een bordje bevestigd met “AANWEZIG”. De deuren stonden uitnodigend open. Door het raam zag Pi een man zitten, die in een boek las, opkeek, nadacht, en weer verder las. Pi besloot de kerk binnen te gaan en zag een groot schilderij waarop de foltering van een man te zien was. En aan de onderkant van het schilderij stonden vrouwen en keken ernaar en kleine dikke kinderen met vleugeltjes zweefden boven het tafereel. En nog een gemartelde man hing in die kerk, aan een kruis vastgebonden, met opengeschaafde knieën. Afgrijselijk. Hadden ze hier dan geen God? Pi zocht, maar kon er geen vinden. De volgende dag kwam hij terug, gefascineerd door wat hij had gezien Hij maakte kennis met de pastoor, die Martin heette. Hij vertelde Pi het verhaal over Jezus Christus. Een vreemd verhaal, vond Pi, met een eigenaardige psychologie. Hij vroeg de pastoor hem een ander christelijk verhaal te vertellen, eentje waarin hij zich meer zou kunnen herkennen. Maar pastoor Martin beweerde dat het christendom eigenlijk alleen maar dit ene verhaal heeft en alle andere alleen een opmaat zijn daarnaar toe. Een God die dood ging, vreemd. Pi had nog nooit van een hindoegod gehoord die stierf of die zich liet vernederen. De christelijke God liet zijn avatar, doodgaan, die een deel van hemzelf was. Onvoorstelbaar. Geen machtige, stralende, sterke God, maar een looser. Waarom? “Uit liefde voor de mensen”, zei pastoor Martin.

Pi ergerde zich aan dat irritante haastige christelijke geloof, waarin zelfs de wereld in het moordende tempo van zes dagen moest worden geschapen. En ook het gedrag van die Zoon zat hem dwars. Maar Hij liet hem niet meer los. En stilletjes aan merkte Pi dat hij Hem ook niet meer los wílde laten. Elke dag keerde hij terug naar pastoor Martin, luisterend naar alle verhalen die bij dat ene verhaal uitkwamen en de uitleg ervan. Aan het einde van zijn vakantie wist Pi het zeker: hij wilde christen worden. Hij rende naar pastoor Martin om hem van zijn besluit op de hoogte te stellen. Die gaf hem een drievoudig klopje op zijn hoofd en zei: “Dat ben je al Piscine – in je hart. Iedereen die Christus met een open hart ontmoet is een christen. En jij hebt hier in Munnar Christus ontmoet.” Pi was dolgelukkig. Hij rende de kerk in, bad tot Jezus Christus en rende vervolgens naar de Hindoetempel om Krishna te bedanken dat hij Jezus van Nazareth, wiens menselijkheid hem zo had geraakt, op zijn pad had gebracht. En zo werd de hindoe Pi ook christen.

Pi de moslim

Nauwelijks een jaar later werd Pi naast hindoe en christen ook moslim. Vlak naast de dierentuin van zijn vader lag de moslimwijk, waar Pi tijdens zijn ontdekkingstochten kennis maakte met de plaatselijke bakker. Een aardige man die Pi naar binnen riep om hem uit te leggen hoe Turks brood gebakken wordt. Juist op dat moment klonk vanaf de minaret de oproep van de muezzin tot gebed. Tot verbazing van Pi zei de bakker: “één moment”, dook de achterkamer in, haalde een opgerold kleedje te voorschijn, legde het in het midden van de bakkerij en begon te bidden. Pi keek met verbazing naar het aan gymnastische oefeningen herinnerende ritueel dat de bakker voor zich uit mompelend vier keer herhaalde. Toen hij het geheel met een korte meditatie had afgesloten, deed hij zijn ogen weer open, glimlachte naar Pi, rolde zijn kleedje weer op, bracht het naar de achterkamer en vroeg: “Waar was ik gebleven?” Zo zag Pi voor het eerst in zijn leven een moslim bidden “snel, dringend, lichamelijk, mompelend, verrassend.” De volgende keer dat hij in de kerk zat te bidden – op zijn knieën, onbeweeglijk, zwijgend voor de gekruisigde Christus -, zag hij steeds weer dat beeld voor zich van dat gymnastische gesprek met God te midden van de meelzakken.

Pi ging vaker terug naar de bakker om van hem te horen waar het in het geloof van de moslims eigenlijk om gaat en zo ervoer hij veel over “de beminde”. Meneer Kumar was soefi, een moslimmysticus, die de koran uit zijn hoofd kende en hem op een trage, eenvoudige manier zong. Samen baden en reciteerden ze de dhikr, de negenennegentig namen van God. Samen gingen ze naar de moskee en geleidelijk aan ontdekte Pi de schoonheid van deze “prachtige godsdienst van broederschap en toewijding”, de paradoxale mengeling van pulserende energie, diepe vrede en eenheid. Als Pi zijn voorhoofd naar de grond bracht, ervoer hij een diep religieus contact. Hij knielde als sterveling neer en stond onsterfelijk weer op. Alle elementen waren in harmonie met elkaar. Pi voelde de tegenwoordigheid van God.

Drie geloven op een kussen

En zo werd Pi praktiserend hindoe, christen én moslim. Veel gelovigen hadden er geen moeite mee dat Pi er verschillende geloofsovertuigingen op nahield. Zij namen er geen aanstoot aan, eerder vonden zij het amusant. Zo niet de geestelijke leiders. Toen zij erachter kwamen dat Pi zich niet met één maar met drie geloven tegelijk verbonden voelde, waren zij op zijn zachtst gezegd not amused:
‘Wat doet uw zoon in de tempel?’vroeg de priester aan de vader van Pi.
‘Uw zoon is in de kerk gezien, en hij sloeg een kruis,’ zei de imam.
‘Uw zoon is moslim geworden,’zei de Pandit.
Vader Patel was rijk, modern en seculier en had niets met geloof. Verbouwereerd keek hij naar zijn zoon. Hij wist van niets. Ondertussen gingen de drie geestelijken met elkaar in de clinch. Een ieder wilde bewijzen dat “zijn” godsdienst toch uiteindelijk de enig ware was en de andere twee echt niet deugden. In de ogen van de Pandit was Pi een vrome hindoe, die regelmatig in de tempel aanwezig was. Volgens de priester kon dat niet waar zijn, want Pi was een trouwe kerkganger en goede christen, van wie hij hoopte dat hij binnenkort in het kerkkoor kwam zingen; en de imam beweerde bij hoog en bij laag dat Pi elke week bij het vrijdaggebed verscheen en zijn korankennis met sprongen vooruitging. Dus was Pi volgens hem een goede moslim, dus geen hindoe of christen. Een geestig tafereel. Aan het einde keek iedereen naar Pi die alleen maar kon stamelen: “Bapu Gandhi zei: ‘Alle religies zijn waar.’ Ik wil gewoon God liefhebben” - en met een rood hoofd keek hij naar de grond. Iedereen werd stil en tot Pi’s verbazing hoorde hij zijn vader zeggen: “Dat proberen we waarschijnlijk allemaal – God liefhebben.” Het had effect, de drie geestelijken dropen beleefd maar spijtig af en vader Patel haalde ijsjes.

Een paar dagen na deze ontmoeting liet Pi zijn vader weten dat hij zich graag wilde laten dopen en ook graag een gebedskleedje wilde hebben. En zoals dat in het dagelijks leven van zo veel families gaat, zei zijn vader: “Vraag het aan je moeder”, en werd er later in bed een echtelijk gesprek onder vier ogen gevoerd over wat je toch met deze jongen aanmoest, die godsdiensten opdeed als een hond vlooien. Maar uiteindelijk kreeg Pi zijn gebedskleedje en werd hij gedoopt, want tenslotte - meende mevrouw Patel geruststellend - maken toch alle drie godsdiensten al lang deel uit van hun land en wie weet, misschien was Pi’s houding juist een nieuw teken van vooruitgang in het moderne India….

Multiple religious belonging

Dit verhaal van Pi is een mooi voorbeeld hoe je met een voor jou vreemde religie kunt omgaan: als een kind nieuwsgierig zijn hoe die religie in elkaar zit, vragen stellen, naar verhalen luisteren en je erover verwonderen wat er allemaal te horen, te zien en te beleven valt. Je laat je meenemen in een voor jou onbekende wereld. Je maakt kennis met hun ‘heilige’ teksten, gaat mee naar hun ‘heilige’ plaatsen - de kerk, de moskee, de tempel. Je leert er steeds meer over, waardoor ook je eigen vertrouwde geloof in een nieuw licht komt te staan. Mooie en minder mooie kanten worden zichtbaar. Je twijfelt, raakt misschien zelfs in een geloofscrisis. Toch blijken wijsheden en bepaalde rituelen uit die andere spirituele tradities van betekenis in je leven. Wat misschien eerst een kortstondige flirt met een ander geloof of andere levensbeschouwing leek, groeit uit tot een diepe existentiële verbondenheid die uiteindelijk tot datgene leidt wat in de theologie inmiddels wordt aangeduid met het begrip ‘multiple religious belonging – meervoudige religieuze verbondenheid.

Azië

In Azië is Pi’s toebehoren tot verschillende religies geen rariteit. Binnen de religiewetenschappen is dit al decennia een bekend verschijnsel, vooral omdat ook bekende Aziatische theologen te kennen hebben gegeven zelf ‘meervoudig religieus’ te zijn. Eén daarvan is Raimon Panikkar en zijn beroemde uitspraak: “Ik ben als christen (uit Europa MK) vertrokken, heb me als hindoe gevonden en kom terug als boeddhist, zonder te zijn opgehouden christen te zijn.”

Maar een meervoudige religieuze identiteit is niet alleen iets voor de ‘happy few’. Sterker nog, de uit Vietnam afkomstige gerenommeerde theoloog Peter C. Phan, werkzaam aan de katholieke universiteit van Georgetown in de Verenigde Staten, meent dat in verschillende Aziatische landen, zoals China, Japan, Korea, Vietnam, India, Nepal en Sri Lanka het toebehoren tot verschillende religies met name onder het gewone volk een heel gewoon verschijnsel is. De verschillende religies vervullen specifieke functies in het leven van mensen. Het is alom bekend, dat als je een Japanner op een formulier de vraag laat beantwoorden tot welke religie hij of zij behoort, minimaal 85% van de bevolking twee kruisen zal zetten, namelijk bij shinto en bij boeddhisme. Simpel gezegd hebben deze twee religies een soort werkverdeling. Terwijl het shintoïsme zich op het leven in het hier en nu van mensen richt, treedt het boeddhisme vooral in werking als er vragen over de dood en het hiernamaals rijzen. Het heeft zich gespecialiseerd in begrafenisrituelen.

Ook de aan de universiteit van Glasgow werkzame katholieke theoloog en religiewetenschapper Perry Schmidt-Leukel wijst erop dat het in de Chinese cultuur inmiddels een gewaardeerde traditie is confuciaan, taoïst en boeddhist tegelijk te zijn. Ook daar zie je een duidelijke onderlinge rolverdeling: Confucius is de meester van de moraal, Laotse de meester van de levenskunst en Boeddha wordt als meester van het sterven beschouwd.

Koreaanse theologe Chung Hyun Kyung beschrijft deze verstrengeling van verschillende religieuze leefwerelden als ‘messy’, een wanordelijk/ongeregeld, en vloeiend proces over de grenzen van religies heen. In haar ogen zijn de verschillende religies geen vast omlijnde entiteiten, die in duidelijke categorieën in te delen zijn met het label: boeddhisme, christendom, sjamanisme, confucianisme. Dat gebeurt volgens haar alleen in de academische setting. In het alledaagse leven vloeien de religies in Azië in elkaar over in een soort “synergetische dans” om bevrijding, overleven en heel worden. God is dan ook niet te vinden in theologische systemen die als een soort monade, een afgesloten eenheid, naast andere staan, maar temidden van de wanordelijke soms chaotisch lijkende realiteit van het leven zelf, meent Chung.

Misschien herinneren sommige van u zich nog haar optreden tijdens de Assemblee van de Wereldraad van Kerken in 1991 in Canberra. Daar hield zij de toespraak: Kom heilige geest, vernieuw onze schepping. Of beter gezegd, zij gaf een performance: Zij vroeg haar publiek leeg te worden om de weg van de Heilige Geest te bereiden en als een teken van eerbied en deemoed de schoenen uit te doen. Daarna nodigde ze iedereen uit om naar het schreeuwen van de schepping te luisteren en naar het roepen van de geest in het geheel van die schepping. Zij riep de geest Gods aan zoals die zich in de bijbel vanaf de schepping tot aan de opstanding van Jezus in verschillende gedaantes manifesteert, maar zij riep hem ook aan in de context van Azië. Chung legde uit dat men in Korea gelooft, dat mensen die een onrechtvaardige dood zijn gestorven han-geesten worden. Het is de verantwoordelijkheid van de levenden, naar deze han-geesten te luisteren en het onrecht dat deze mensen werd aangedaan te herstellen. De han-geesten zijn volgens haar de iconen van de heilige geest; zij laten de stem van de heilige geest klinken in de wijsheid van het leven.

Dit was het begin van Chungs theologische carrière: op stel en sprong was zij beroemd en berucht. De vertegenwoordigers van de kerkelijke orthodoxie in Canberra tekenden direct protest aan. Maar niet alleen de orthodoxen waren verontwaardigd. Ook de liberalere theologische elite was het erover eens: dit kon niet, dit was syncretisme, een ongeoorloofde vermenging van religies.

Chung heeft zich nooit tegen de aanklacht van syncretisme verzet. Integendeel. In haar theologie pleit zij voor een op bevrijding en op het leven gericht syncretisme. Haar theologie vertrekt bij de dagelijkse ervaring van Aziatische vrouwen, waar dat wat wij in het westen ‘syncretisme’ noemen, volgens haar een heel normale manier van geloven is. Dat geldt ook voor Chung zelf. Zij schrijft: “Mijn ingewanden zijn sjamanistisch, mijn hart is boeddhistisch, de rechterkant van mijn hersenen is confucianistisch en de linkerkant is christelijk.”

Europa

Dat is Azië, denkt u misschien, interessant, maar wat hebben wij in Europa daar nou mee te maken? Wij leven in een volstrekt andere cultuur. Het christendom heeft onze cultuur voornamelijk gevormd en niet het boeddhisme of han-geesten. Dat klopt. Maar de Europese cultuur is door de toenemende globalisering en de daarmee samenhangende migratie aan ingrijpende veranderingen onderhevig. De ander, de Aziaat, Afrikaan, Mexicaan en Irakees woont inmiddels niet meer in een ver land, maar is onze buurman of buurvrouw geworden.
Toen ik nog Duitse was, schaamde ik mij plaatsvervangend voor wat ‘mijn volk’ in het verleden de ‘ander’ had aangedaan - en nu kijk ik met vrees en schaamte naar Nederlandse politici en andere landgenoten die onder het mom van ‘trots op Nederland’ dé ‘Nederlandse identiteit’ aan de haren uit de polder proberen te trekken.
Laat ik het zo zeggen: Ik begrijp de onrust en de onzekerheid van mensen, maar ik vind de richting waarin men de oplossing zoekt uiterst problematisch. Feit is dat het culturele en religieuze landschap van Nederland in een razend tempo verandert - en dat is voor velen een angstig en onoverzichtelijk verschijnsel. In een rapport uit 2004, opgesteld door het United Nations Development Programme van de Verenigde Naties, wordt de migratiegolf die in de laatste decennia van de twintigste eeuw heeft plaatsgevonden een van de grootste uit de geschiedenis van de mensheid genoemd.Tussen 1980 en 2000 steeg het aantal immigranten dat uit Azië, Afrika en de Amerikaanse continenten naar de Europese Unie kwam met 75 procent. In Noord-Amerika groeide in die tijd het aantal buitenlanders van 14 naar 36 miljoen. Dat is een stijging van 145 procent. En deze migratiegolf ging gepaard met revolutionaire veranderingen in de technologische sector. Overal ter wereld zijn migranten vandaag de dag in staat om dubbele of meervoudige identiteiten te ontwikkelen. Zij bouwen een nieuwe identiteit op in hun thuisland en houden tegelijk met behulp van de nieuwste technologische communicatiekanalen en transportmogelijkheden vast aan de identiteit van hun land van herkomst. In het rapport wordt landen die immigranten opnemen geadviseerd op basis van deze ontwikkeling geen assimilatie van hen te verwachten. In plaats daarvan moeten zij zich volgens hun advies open stellen voor deze nieuwe meervoudige identiteitsvorming en politieke maatregelen nemen, zoals bijvoorbeeld het toestaan van twee paspoorten. Meervoudige identiteiten zijn, zo valt in het rapport te lezen, een feit in een dynamisch geworden wereld. Wie meent dat deze ontwikkelingen van voorbijgaande aard zijn of dat zij te stoppen zijn, vergist zich. Zij zijn inherent aan de globalisering die eerder nog zal toenemen dan afnemen. Het ‘omarmen van diversiteit’ is dan ook volgens het rapport de enige duurzame weg naar stabiliteit, vrede en democratie.

Ook de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), is in zijn rapport ‘Identificatie met Nederland’ deze mening toegedaan. Meervoudige identiteiten en dubbele nationaliteiten zijn een feit in de 21ste eeuw. De raad wil af van de discussie omtrent de ‘Nederlandse identiteit’ van de laatste jaren die een veel te statisch en vastomlijnd beeld van de Nederlandse identiteit heeft opgeroepen. Daardoor kwamen de autochtone en allochtone bevolking van Nederland steeds meer tegenover elkaar te staan, wat het vreedzame samenleven niet heeft bevorderd. De Raad wil de wij/zij cultuur achter zich laten en vervangen door een en/en denken.

Het is duidelijk dat veel autochtone Nederlanders aan deze geluiden nog moeten wennen en zo kreeg prinses Maxima, zelf ervaringsdeskundige inzake integratie, de wind van voren, toen zij in de lijn van het rapport eveneens onderstreepte dat ‘dé’ Nederlandse identiteit niet bestaat, net zo min als ‘dé’ Argentijnse, ‘dé’ Duitse of welke dan ook. En uiteraard heeft zij gelijk: Er bestaan geen vastomlijnde statische identiteiten, noch in persoonlijk, noch in nationaal, noch in religieus opzicht. Zij zijn meervoudig en veranderlijk, afhankelijk van veel verschillende factoren die je leven bepalen, als gender, ras, nationaliteit, economische positie, etniciteit, seksuele voorkeur, religie, leeftijd, en ga zo maar door. Identiteit kent vele facetten, afhankelijk van de context, waarin je je bevindt.

Prinses Maxima meent dat “verscheidenheid en vermenging ons kracht geven”, en ik ben het met haar van harte eens, zonder daarmee overigens te willen ontkennen dat verschillen vruchtbaar maken en interculturele en interreligieuze verbindingen aangaan geen makkelijke klus is. Maar het wel of niet slagen van die klus zal de toekomst van Nederland bepalen. In die zin maak ik mij geen zorgen over de toekomstige koningin der Nederlanden, die in een multiculturele natie met deze visie haar samenbindende rol ten aanzien van alle burgers, ongeacht de hoeveelheid paspoorten, uitstekend zal vervullen.

Niet alleen voor de politiek, ook voor de kerken ligt in het serieus nemen van verscheidenheid een nieuwe uitdaging – zowel in relatie tot mensen uit een niet-christelijke geloofstraditie als ook in relatie tot nieuwe vormen van geloven zoals ietsisme, soloreligiositeit en alle New Age gerelateerde vormen van religiositeit. Want ook in religieus opzicht zijn we in Europa gewend in ‘één’ te denken, zoals het syncretismeverwijt in het eerder genoemde voorbeeld duidelijk maakte. Ook hierin brengt de komst van mensen met een andere religieuze achtergrond en de individualisering in Nederland verandering.

Hoe staat het met de religieuze identiteit van Nederland. Heet onze Pi hier misschien Bram of Janneke? Of is religieuze meertaligheid hier een ongekend fenomeen? Nemen we een kijk:

Secularisatie en sacralisatie

Tot voor kort ging men er in Nederland en ook in andere landen op het Noordelijk halfrond nog van uit dat met de voortschrijdende wetenschappelijke en technologische vooruitgang religie meer en meer zou verdwijnen. In 1968 schreef de internationaal gewaardeerde godsdienstsocioloog en theoloog Peter Berger in de New York Times: “In de 21ste eeuw zullen gelovigen waarschijnlijk alleen nog maar als kleine sekten te vinden zijn, dicht tegen elkaar aangekropen, om de inmiddels wereldwijd aanwezige geseculariseerde cultuur te weerstaan.” Niets blijkt minder waar. Nederland en een aantal andere landen in Europa zijn eilandjes omringd door een oceaan van religie. Koploper is het Christendom met boven de 2 miljard aanhangers, gevolgd door de islam, circa 1,3 miljard en het hindoeïsme met 800 miljoen. En in de voorspellingen blijft religie booming business. World Christian Trends verwacht in 2050 ruim 3 miljard christenen, ongeveer 2,2 miljard moslims en circa 1,1 miljard Hindoes, 425 miljoen boeddhisten en 16, 5 miljoen joden. Peter Berger heeft zijn voorspelling inmiddels een grote vergissing genoemd en spreekt nu liever van de “desecularisering van de wereld”.

Ook in Nederland is religie terug van weggeweest, alleen de kerken blijven leeglopen. En volgens het onderzoek De God van Nederland, dat in het voorjaar van 2007 werd gepubliceerd, houdt deze trend aan. 60% van de Nederlanders noemt zich gelovig, maar slechts vier van de tien doelt daarmee op het traditionele geloof. Wel moet elk dorp en elke stad een kerk hebben als het aan de ondervraagden ligt - een soort visuele christelijke identiteit, want zelf een voet in de kerk zetten zit er niet meer echt in. Hooguit als het om de scharniermomenten in het leven gaat, zoals bij geboorte, huwelijk en dood. Ook al zijn de kerken leeg, ze moeten wel behouden blijven volgens 78% van de geïnterviewden, desnoods met financiële steun van de overheid. Waarom eigenlijk? Nostalgie? Of zou men bang zijn dat binnenkort de minaretten het beeld van Nederland bepalen? Ook in religieus opzicht leeft de angst voor ‘de’ islam en net als in de politiek vertonen de christelijke kerken een defensieve reactie. Ook zij trekken zich terug op eigen erf. Wat is onze christelijke identiteit?, vraagt men zich bezorgd af. Alles lijkt verwaterd door de secularisatie en het individualisme. Wat een aantal jaren geleden nog als een verworvenheid werd gezien, namelijk de ramen openzetten naar de moderne wereld en het bevorderen van de oecumene, zoals tijdens Vaticanum II, wordt nu als een verlies aan geloofszekerheid beschouwd. Hoe groter de onzekerheid, hoe meer men op zoek gaat naar het reine geloof, naar de katholieke en protestantse identiteit – naar de eigen zuil. Emancipatoire verworvenheden, vooral ook wat de positie van vrouwen betreft, worden vooral in de rooms-katholieke kerk in een mum van tijd teruggedraaid. Op zoek naar houvast grijpt men terug naar het verleden, stelt men opnieuw een canon van de vaderlandse geschiedenis en het christelijke geloof samen, zonder te beseffen dat dit verleden al lang niet meer de basis voor een toekomstig multicultureel en multireligieus Nederland kan zijn - want daarvoor is Nederland nu al, zoals prinses Maxima zo mooi zei: “veel te veelzijdig en niet in een cliché te vangen.” Dat is een compliment en geen belediging.

Net zo min als er een statische Nederlandse identiteit bestaat, bestaat er ‘dé’ christelijke identiteit. Van begin af aan was het christelijk geloof een mengsel uit en beïnvloed door andere religies - joden, heidenen, godinnenreligies. En dat is nog steeds zo. Je identiteit wordt mede door diegenen bepaald met wie je omgaat en hoe meer wij in aanraking komen met mensen uit andere religies, hoe meer geloofsvermenging er zal ontstaan.

Misschien zijn er al veel meer Pi’s in Nederland dan wij denken. Mensen die zich met meerdere religieuze tradities verbonden weten, die zich laten inspireren door het verhaal van Jezus Christus, maar ook door hindoeïstische meditaties, boeddhistische of soefi-wijsheden. Mensen die in religieus opzicht al lang ‘en/en-denken’ en niet meer ‘of/of’. Het zal wel moeten, want waar komen anders in het onderzoek De God van Nederland al die zogenoemde “postmoderne spirituelen” vandaan, die van mening zijn dat men “religie in de wijsheid van verschillende tradities moet zoeken.” 75% van de Nederlanders is ervan overtuigd dat dit de weg zal zijn die religies zullen gaan.

Aan het einde van deze studie constateren de onderzoekers enigszins hulpeloos dat de Nederlanders in religieus opzicht “onoverzichtelijk” zijn geworden Je zou ook kunnen zeggen, ze zijn niet meer in te passen in de categorieën van het traditionele geloof. Het sluit niet meer aan bij hun dagelijks leven. Zij ontwikkelen steeds meer een individueel geloof, samengesteld uit verschillende religieuze en levensbeschouwelijke tradities. En dat is niet alleen een Nederlands fenomeen. Steeds meer mensen keren zich in West-Europa af van de kerken als instituut, maar blijven wel op zoek naar nieuwe vormen van spiritualiteit, naar datgene wat zin en richting aan hun leven kan geven. En zo constateren de sociologen Paul Heelas en Linda Woodhead dat in het laatmoderne Europa secularisatie en sacralisatie hand in hand gaan. En niet alleen de secularisatie, maar ook de sacralisatie is daarbij gekleurd door dat wat de Canadese filosoof Charles Taylor the massive subjective turn of modern culture heeft genoemd. Het individu zelf is de laatste autoriteit geworden als het om de beoordeling gaat wat wel en niet religieus te verantwoorden is.

Wordt het niet tijd dat de kerken dit gegeven serieuzer nemen? Zouden zij zich niet de vraag moeten stellen, welke rol zij kunnen vervullen ten aanzien van al die mensen die op zoek zijn naar spiritualiteit en nieuwe vormen van geloven? Immers, 38% van de gelovigen noemt zich ietsist.

Reisgidsen

De al eerder genoemde theoloog en religiewetenschapper Perry Schmidt-Leukel, die overigens ook zelf christen en boeddhist is, ziet de verschillende religies als “reisgidsen” die de individuele mens op zijn of haar specifieke levensweg begeleiden en het mogelijk maken zijn of haar roeping als mens te verwezenlijken. Dit beeld van religies als reisgidsen sluit nauw aan bij wat Timothy Radcliffe, dominicaan en oud-magister van zijn orde, voor ogen heeft als hij over de functie van het christelijk geloof in Europa schrijft. Volgens hem staat Europa vandaag op een kruispunt: zullen de verschillende religies in staat zijn vreedzaam met elkaar samen te leven of zullen zij verdeeldheid zaaien en Europa verscheuren? Veel hangt volgens hem ervan af of de mensen in Europa bereid zijn te accepteren, dat het van origine christelijke Europa een thuishaven wordt voor alle religies. Dit kan volgens hem alleen lukken als het christendom bereid is de rol op zich te nemen mensen op hun zoektocht naar het goede, ware en schone te begeleiden. ‘Begeleiden’ betekent volgens hem niet in eerste instantie het opstellen van regels, waaraan de ander zich moet houden, maar veeleer het aanbieden en bemiddelen van christelijke waarden als levensmiddelen voor onderweg. In dat kader noemt hij, in de lijn van Thomas van Aquino, de vier kardinale deugden – moed, wijsheid, matigheid en gerechtigheid – en voegt er de drie theologale deugden aan toe – geloof, hoop en liefde. Een Tom Tom voor het morele handelen, ingrediënten voor een gezamenlijke ethiek als bijdrage van het christendom aan de pelgrims in Europa. Radcliffe roept kerk en theologie op begeleiders van deze pelgrims te zijn en hen daar op te halen waar zij vandaag de dag staan, ongeacht of deze standplaats wel of niet overeenkomt met de normen van de kerk.

Radcliffe gaat uit van een gezamenlijke zoektocht naar waarheid en van de overtuiging dat waarheid ook in andere religies te vinden is. Veel te vaak strijden religies naar zijn smaak om het voorrecht van de eigen geloofswaarheid, wat intolerantie, indoctrinatie en gewelddadige conflicten tot gevolg heeft. In plaats daarvan wil hij het stellen van vragen bevorderen, zonder de antwoorden al bij voorbaat te weten. In plaats van anderen te beleren wil hij juist van hen leren. De christelijke kerk dient de moed te hebben haar overtuigingen naar voren te brengen. Tevens moet zij erkennen dat ook zij uiteindelijk niet met zekerheid kan zeggen wie of wat God is. Zij moet zich oefenen in bescheidenheid en de bereidheid tonen met andere religies samen op pelgrimage gaan, op zoek naar waarheid.

Religieuze tradities worden zo tot het open erfgoed van veelvoudige betekenissen en waarden, waaruit het individu in alle vrijheid mag kiezen om het eigen leven inhoud, vorm en richting te geven - desnoods als christen, hindoe en moslim tegelijk.

Religieuze flexibiliteit

En daarmee zijn we weer terug bij het geloofsverhaal van Pi. Terwijl de moderne geseculariseerde vader zich zorgen maakt over Pi’s geloofsijver – geloof is in zijn ogen immers ‘achterlijk’ - meent zijn moeder geruststellend dat Pi misschien met zijn meervoudige manier van geloven juist de toekomst van het moderne India zou kunnen belichamen. Een nieuwe kans om moderniteit en spiritualiteit met elkaar te verbinden?

Ik zou deze vraag ook voor Europa positief willen beantwoorden. Als Europa – en Europa staat hier voor alle landen die bij Europa horen, ook Nederland dus - niet door diversiteit verscheurd wil worden, heeft het een flexibele identiteit nodig. Een identiteit die vloeiend is en niet langer bepaald wordt door afgrenzing ten opzichte van die ander, maar door de relatie tot hem of haar. Een identiteit die zich in vrijheid laat verrijken door diversiteit en niet bij voorbaat door angst voor de ander bevangen raakt en zich terugtrekt op eigen erf.

De toekomst van Europa en van het Europese christendom staat en valt naar mijn idee met het antwoord op de vraag of de verantwoordelijken in politiek en kerk de moed hebben in cultureel en religieus opzicht flexibel te worden. Niet langer moeten zij de bewakers willen zijn van een eenheid die al lang verleden tijd is. Als voortrekkers dienen zij diversiteit als nieuw paradigma voor het Europa en het christendom van de 21ste eeuw te doordenken en te leven. Crossing over (oversteken) wordt dan het motto dat om een ingrijpend andere manier van denken en handelen vraagt: 'en/en in plaats van of/of. Afscheid nemen van westerse dualistische denkpatronen en van de privileges die daarmee samen gaan, zal niet makkelijk zijn – want wie geeft graag de macht op die hij heeft?

Is deze roep om culturele en religieuze flexibiliteit een pleidooi voor relativisme? Geenszins. Waarvoor ik pleit is recht te doen aan menselijkheid in zijn diepste laag, door de angst voor de ander en diens traditie te verminderen vanuit het besef dat verschillende religieuze tradities de rijkdom van het goddelijke én het menselijke geschakeerder voor het voetlicht kunnen brengen dan één religieuze overtuiging alleen. Het streven naar ware menselijkheid betekent de vele verhalen over God en de wereld toe te laten en vervolgens met elkaar in debat te gaan over de vraag wat ware menselijkheid wel en niet ten goede komt. Het veronderstelt veelvoud te omarmen, verschillen niet langer hiërarchisch en identiteit niet meer statisch te denken. Juist aan deze culturele en religieuze flexibiliteit zouden Europa en het westerse christendom hun sterkte moeten ontlenen. Immers - het is deze flexibiliteit die Pi in zijn gevecht om te overleven tijdens die 227 dagen op de Grote Oceaan heeft laten winnen. Steeds weer zocht hij naar nieuwe oplossingen en zijn drie geloven hebben hem daarbij spiritueel geholpen.
Hoe dat precies in zijn werk is gegaan moet u zelf maar lezen.

Dr. Manuela Kalsky is theologe. Zij is directeur van het Dominicaans Studiecentrum voor Theologie en Samenleving te Nijmegen en directeur van de multimediale en interreligieuze website www.nieuwwij.nl

Deze tekst is een licht bewerkte versie van de VolZin-lezing die Manuela Kalsky in 2007 heeft gehouden.

Terug naar boven

Twisten en gesteggel

Als wij het over God hebben, dan hebben wij het eigenlijk over het mysterie van ons eigen leven. We proberen iets van de diepere werkelijkheid van ons bestaan weer te geven. En dan gaat het over ons verlangen en ons gemis, onze honger en dorst naar zin en betekenis. Daar willen we taal en teken aan geven. Daarom gebruiken we ook zoveel verschillende beelden voor God: beelden als licht en vuur, bron, water, stroming, stem en stilte, maar ook beelden als vader, moeder, herder, vriend, minnaar, metgezel. En eigentijdse beelden als: ander, iemand in ons verborgen, plotseling oplaaiend vuur van visioenen. Het zijn godsbeelden, die aanduiden wat ons op dat moment ten diepste beweegt. Maar ze zijn God niet, die beelden. Want de Eeuwige gaat elke verbeelding te boven. En ze zijn ook relatief, onze godsbeelden, en alle theologie daarover is gebonden aan plaats en tijd en altijd weer in beweging. Daarom valt er over God en geloof eigenlijk niet te stechelen of te twisten. Er kan nooit sprake zijn van een eeuwige waarheid of een grootste gelijk, hoe plechtig ook verkondigd. Je kunt alleen maar ervaren met je ziel, vermoeden, stil worden, je verwonderen, je laten raken, opengaan door te bidden bijvoorbeeld, door muziek te luisteren, of door bewust te doen wat je moet doen. Daar gaat het Jezus om, dat is waartoe Hij weer de weg wijst. En voor Hem is die weg een levenshouding van onvoorwaardelijke liefde en van solidariteit tot op de draad van het leven. Dat is wat Hem beweegt, die ontferming. Dat is het nieuwe lied dat Hij zingt. Godsdienstige twisten gaan altijd over iets anders. Tussen Moslims en Christenen, tussen katholieken en protestanten, tussen Hindoes en Sikhs, al dat gesteggel in het oecumenische proces.

Maar natuurlijk ook het gedoe in onze eigen kerk. Vaak gaat het gewoon om macht, om het recht van de sterkste; om kerkpolitiek en moraal gaat het, maar in de verste verte niet over God, en over de diepere werkelijkheid van het leven. Dat is in de Schrift aan de orde. Cyrus, die Messias, gezalfde, genoemd wordt, wordt door God sterk gemaakt niet om macht uit te oefenen, maar om mensen te bevrijden en voor hen in Godsnaam de toekomst weer te openen. Dat wordt van hem verwacht. Daar staat hij voor. En in het Evangelie gaat het over het tempelgebeuren. Het land is in die dagen door de Romeinen bezet en de Romeinse keizer laat zich als god vereren. Op de gevel van de Joodse tempel heeft hij pesterig een groot schild gehangen met zijn eigen beeltenis. En op het muntgeld staat zijn kop met de tekst: ‘Keizer Tiberius, zoon van de goddelijke Augustus’. De keizer, de keizer, de keizer: driemaal staat het in de tekst van deze dag. Dáár ligt het accent op. Hoe moet je met die heidense bezetter omgaan? Wat vindt de gelovige Jood Jezus daarvan?

Het is een strikvraag. Welk antwoord je ook geeft, ja of nee, het is in ieder geval nooit goed. Ze stellen Hem die vraag op het tempelplein, het centrum van de Joodse godsdienstigheid. Hij heeft net dat plein schoongeveegd en de hele religieuze handel eruit gegooid. Omdat het niet over God ging, niet over de bronnen van je bestaan, wat je beweegt en waarvoor je door het vuur gaat, niet hoe ik mijn eigen zinvolle plek in de geschiedenis vind en hoe wij samen kunnen instaan voor een samenleving waar brood en liefde is, genoeg voor allen. Dat is gewoon verloren gegaan en vergeten. Het hele tempelgebeuren draait om handel, om macht, om zelfverrijking. Het gaat allang niet meer om Gods Naam die staat voor meedogende liefde en recht en bevrijding: dat die Naam wordt hooggehouden en geheiligd. Het geld met het beeld van de goddelijke keizer staat centraal, zelfs daar. Vandaar dat Jezus kort tevoren zo ongemeen fel heeft uitgehaald naar de religieuze leiders van zijn dagen. Ze staan niet voor waar ze voor moeten staan. En na dat tempelincident valt dan ook de hele gevestigde orde over Hem heen. Uit díe hoek komt deze hachelijke vraag: ‘Mag je aan de bezetter belasting betalen?’. Jezus wijst met veel rabbijnse wijsheid op de belastingmunt met de kop van de keizer. En letterlijk staat er: ‘Geef aan de keizer terúg wat bij de keizer hoort’. Wij zouden misschien zeggen: ‘Laat hem, het is zijn feestje’. Heel simpel. Jezus heeft als zoon van de Thora wel iets anders om zich druk over te maken. ‘Geef God terug wat bij God hoort’. En dan gaat het over de grondtonen van het leven, over liefde en recht en solidariteit. ‘Mijn rijk is niet van deze wereld’, zal Hij kort daarna zeggen als Hij terechtstaat voor Pilatus. Dat is het waarvoor Hij door het vuur gaat. Bij Hem gaat de Eeuwige alle godsdienstige gekrakeel te boven.

De vraag aan ons zou vandaag kunnen zijn: waar gaat het óns, waar gaat het onze kérk om bij God en geloof? Waar gaat het ons om bij ons bidden en zingen hier en in onze werkgroepen en commissies. Gaat het om de leer, om het ene ware grootste gelijk? Gaat het om de rust van de rituelen, om het verdienen van de hemel misschien wel? Of vormen we een beweging van mensen die samen op zoek zijn naar de bronnen van ons bestaan, naar zin en betekenis; en halen we onze inspiratie bij Jezus vandaan, die ons de weg wijst van meedogende liefde, naar een toekomst waar leven is voor al wat leeft. Jezus die ons aanziet en ons vraagt om zelf beeld van God te zijn: zoon, dochter van God, zijn rechterhand, die doet wat moet gedaan; die ons bidt en smeekt om net als Hij Gods licht te weerkaatsen en de spiegel te zijn waarin zijn toekomst zichtbaar wordt, zoals het lied zingt. Schriftverhalen willen altijd Thora zijn, richting geven, inspiratie. Vandaag zeggen ze ons: daar waar je in de geest van Jezus het beste van jezelf investeert in de ander, in mededogen en solidaire liefde, daar geef je ruimte aan Gods aanwezigheid. Daar is toekomst, daar wordt het licht.

Leo Koerhuis.

Terug naar boven

Tien jaar na 11 september

Op deze dag gaan de gedachten van veel mensen terug naar de aanslagen op het WTC in New York. En in dezelfde adem worden meestal de westerse steden Madrid en Londen genoemd. Maar er waren toch ook de aanslagen van extremisten in de niet-westerse woonplaatsen van mensen: in Istanboel, Casablanca, Bali, Sharm il Sheik en niet te vergeten: al die bloedige aanslagen in Irak en Afghanistan, wel haast elke dag. Hoog te paard rijdt onrecht er langs de wegen. Niemand veilig. Vanwege mensen die beweren dat ze van de dood houden zoals wij van het leven. Onvoorstelbaar! Maar toch hebben ze in korte tijd de wereld veranderd. En wij, opgeschrikt, zijn de stille getuigen, want het gaat wel om onze wereld.

Terrorisme. Dat is gegrond op haat. Het komt voort uit wrok en wraak. Het is een diep verbitterd levensgevoel. Dat is iets anders dan boosheid. Boosheid is een passie, die nuttig kan zijn. Vooral als er iets kostbaars in je leven wordt geblokkeerd. Met alle kracht van de woede stort je je op de toekomst. Dat kan heel gezond zijn. Maar met wrok en haat en wraak is het iets anders. Die gaan niet over hoop en toekomst. Die sleuren je mee terug naar het verleden, naar wat achter je ligt, wat verloren is, oud zeer. Daar wordt pijn gekoesterd, daar worden wonden opengehouden, maar niet geheeld. Je verliest er je waardigheid mee, je menselijkheid en alle respect. Haat en wraak kunnen zó ver gaan dat ze zelfs je eigen gezondheid aantasten en je levensweg blokkeren. Het zijn hartstochten die wij gewoon niet de baas kunnen. Daarom staat er in de Schrift: Aan God is de wraak. Alleen Hij is bij machte haar te beheersen en het kwaad ermee te vernietigen. Maar voor ons mensen is een paar duizend jaar geleden al opgeschreven: Hou op met haten. Het is iets afschuwelijks. Vergeef je naaste het onrecht.

In de steden, die door de aanslagen zijn getroffen, is de wolk intussen opgetrokken, het puin geruimd, de wonden zijn gelikt, de doden begraven. Maar dan? Een pastor die 11 september in New York van nabij meemaakte schreef: We hebben gezocht naar de pijn die maar geen taal kon worden. Wat moeten we met het oude? Hoe worden we weer onszelf? Hoe worden we heel? Dat is de vraag. Hoe maken we het goed? Volgens de wijsheid van alle religies, ook die van de Islam, is daar vergeving en verzoening voor nodig. In ons boek van de Uittocht staat: Toen riep God zijn Naam uit en riep: Ik ben barmhartig, genadig, lankmoedig, rijk aan liefde, rijk aan trouw. Ik betoon mijn liefde tot in het duizendste geslacht. Ongerechtigheid, ontrouw en zonde, die draag ik weg. Er staat niet: die draag ik je nog jarenlang na. Nee: die draag ik weg. Nu, wat de oude verhalen over God zeggen, dat zegt natuurlijk alles over de mensen zelf. En dat betekent dus: wij mensen doen er goed aan barmhartig te zijn en zonden te vergeven en weg te dragen. Vergeven is een verwerkingsproces. Het is de beslissing nemen om niet bezet en bezeten te raken door wraak. Het Griekse woord, dat Mattheüs hier voor vergeven gebruikt, betekent: er los van komen, je ervan bevrijden. Als je haat koestert blijf je jezelf binden aan dat kwaad; het gaat aan je vreten en je wordt steeds meer een gevangene van je eigen bitterheid. Vergeven echter maakt je vrij.

Dat is mooi, natuurlijk. Maar hoe doe je dat en hoe vaak moet je dan wel vergeven? Daar kun je toch niet eindeloos mee door gaan? De Rabbijnen zeiden van oudsher: je moet wel driemaal vergeven! Petrus maakt er zeven keer van. Hij moet gedacht hebben: dan maak ik vast een goede beurt. Mooi niet! Rabbi Jezus zegt: zeventig maal zeven maal! Je kunt niet ver genoeg gaan. Je moet er gewoon de tel bij verliezen. Een explosie van menselijkheid en vergevingsgezindheid. Dat is toch een prachtige christelijke gedachte, zou je zeggen. Een schitterend vergezicht. Maar kan dat wel, zó vergeven? Moeten we dan maar net doen alsof het allemaal niet gebeurd is, al die aanslagen, al dat geweld en die onschuldige slachtoffers? Dat zou mooi gemakkelijk zijn. Maar daarvoor is dat kwaad te groot en te verwoestend. Je zult maar slachtoffer zijn, jijzelf of je kind. Je kunt elkaar toch niet met bebloede handen gaan omarmen! En waar moet je dan heen met je woede, je angst en je machteloosheid? Tijdens het proces tegen de moordenaar van Fortuyn stond er bij het gerechtsgebouw een man met een bord: God moge je vergeven. Ik kan het niet. Eigenlijk is dat heel eerlijk en reëel. Vergeven gaat niet zomaar. Je mag al blij zijn als de haat bekoelt. Toch moeten we de woorden vergeving en verzoening niet wegdoen. Ook niet als het om terrorisme gaat. Die begrippen horen volgens onze leermeester Jezus tot de kern van ons geloof. Ze zeggen: we zullen het hoe dan ook van genade moeten hebben. We hebben elkaar nodig als er kwaad is aangedaan: elkaars mildheid, geduld en mededogen. Anders zijn we met z’n allen nergens. Zonder vergeving valt er gewoon niet te leven op onze lieve oude aarde.

Maar inderdaad: nooit zó maar. En het is ook echt niet zo dat alles daarna maar weer gewoon verder gaat. Dat gerechtigheid dan vanzelf weer als een rivier gaat stromen en de wijnstok tegen de klippen op bloeit. Nee, gedane zaken nemen geen keer. Er is wel degelijk iets fundamenteel kapot gegaan en misschien kan het wel nooit helemaal goed gemaakt worden. Maar we moeten toch samen verder in deze wereld. En daarom is vergeving en verzoening het enig zinvolle antwoord op het grote kwaad dat mensen elkaar aandoen. Allereerst zeggen we er mee: Wij zullen de haatzaaiers en fundamentalisten laten zien dat onze vastberadenheid, om onze waarden en onze manier van leven te verdedigen, dat die groter is dan hun wil om dood en verderf te zaaien. Maar verzoening gaat verder: Iemand die vergeeft, die zegt: je hebt mij kwaad gedaan, maar ik weet haast zeker dat ook jij meer bent dan dat kwaad. Ik doe een beroep op het goede in jou, dat er toch óók moet zijn. Er wordt bij vergeving dus niet even iets ongedaan gemaakt. De terroristische aanslagen zullen zeker worden bij geschreven in de geschiedenisboeken. Wat gebeurd is, is gebeurd. En er is wel degelijk sprake van ondraaglijk geweld en van grove schuld. Daar komt niemand onderuit. Je blijft verantwoordelijk voor je daden. Maar daar hoeft niemand in te blijven steken. Je hoeft er niet stuk aan te gaan. Vergeven dus, zeventig maal zevenmaal. Dat is geen eis. Dat is een weg, een richting. Het geeft een levenshouding weer. Het is een woord dat ruimte baant, toekomst. Het is een hartbrekende keuze om de zondaar meer lief te hebben dan je zijn zonde haat. Dat lijkt een onmenselijke vraag. Daarom zeggen de kerken ook dat door Christus’ kruis de zonden worden uitgewist. Dat klinkt oud en vroom. Maar ze zeggen daarmee: Het is zó moeilijk, dat wij dat niet eventjes alleen kunnen. Het gaat haast boven onze macht. We halen Hem erbij en doen het in zijn Naam.

Met zijn zeventig maal zeven maal wil Jezus ons wakker houden. In alle liefde zegt Hij: Luister! Haat beschadigt de ander en jezelf. Als je niet uitkijkt ga je er beide aan. Je ziel gaat verharden en verzieken. Vergeven is de enige mogelijkheid om aan die dodelijke kringloop van kwaad met kwaad vergelden te ontkomen. We zullen elkaar moeten opzoeken, met elkaar praten over wat er is gebeurd en hoe het toch zover kon komen. En dan proberen elkaar de ruimte geven om opnieuw te beginnen. Doen we dat niet, dan wordt de aarde een godverlaten oord. En ze is dat al voor te veel mensen. En wie weet: misschien hangt het overleven van de menselijke soort wel af van deze verzoening. Daarom dat woord van Jezus: Doe het eens op mijn manier. Het is een lange moeizame weg, zeker, je moet wel zevenmaal opnieuw geboren worden, kleingekregen, uitgeworpen. Maar een andere weg tot vrede is er niet. En weet wel: waar het gebeurt, daar groeien mensen boven zichzelf uit. Daar ontstaat het vergezicht van het koninkrijk van God! Zeventig maal zeven bomen zullen bloeien waar wij wonen en licht zal over water stromen. Zevenmaal.

Leo Koerhuis

Terug naar boven

Twijfel en standvastigheid

Ik trok een streep:
tot hier, nooit ga ik verder dan tot hier.

Toen ik verderging
trok ik een nieuwe streep,
en nog een streep.

De zon scheen
en overal zag ik mensen,
haastig en ernstig,
en iedereen trok een streep,
iedereen ging verder. (Toon Tellegen)

Jacobus schrijft over beproevingen en standvastigheid - en ik voeg een gedicht toe over strepen trekken en ze een eindje opschuiven. Jacobus zegt ‘wie twijfelt is als een golf in de zee, die door de wind heen en weer wordt bewogen. Wie zo aarzelend en onberekenbaar is bij alles wat hij doet, moet niet denken dat hij iets van de Eeuwige zal krijgen.’ Maar in het gedichtje zie je mensen strepen trekken, er over heen stappen en verder gaan. Misschien gebeurt dat vanuit wispelturigheid of onzekerheid. Misschien is er sprake van voortschrijdend inzicht, en kan er daarom steeds een nieuwe streep worden gezet. Misschien werd die streep getrokken uit angst en afweer. Al die strepen hebben zo hun verhaal. Vermoedelijk heeft iedereen ergens wel een blocnote vol strepen. ‘Tot hier en niet verder’ kunnen mensen stoer roepen, om vervolgens te ontdekken dat er toch nog ruimte in lijf en hart is, mogelijkheden, ontwikkelingen.
Zo was dat gedichtje van Toon Tellegen over strepen een prettige herkenning voor iemand die erg ziek was en al meerdere malen het hoofd erbij neer had willen leggen. Ik trok een streep en ik ging verder. Die wonderlijke ervaring dat je denkt dat het ‘op’ is, dat alle rek er uit is, en dan vervolgens na een nacht slapen of een prettig bezoek je jezelf toch weer bijeengeraapt blijkt te hebben en verder gaat. Al strepen trekkend worden wij beproefd.

Onlangs zag ik een film waarin een man aan één stuk door verkeerde keuzen maakt (Woody Allen, Match Point 2005). Hij laat zich verleiden door geld en roem, verkwanselt trouw en liefde, en niet één keer, maar bij herhaling. Meerdere malen ben ik weggelopen van de televisie omdat het niet aan te zien was hoe hij steeds weer toezegde schoon schip te gaan maken, maar uiteindelijk toch bezweek voor de verleidingen waaraan hij zich had overgeleverd. Maar het meest verwarrende was dat de film zo is gemaakt dat je je als kijker toch met die man identificeert en hem niet laat vallen. Verschrikkelijk onthutsend om zelf dus ook in de grensoverschrijding getrokken te worden. En dat was dan nog film. In het echt kennen we genoeg verhalen over strepen die getrokken worden en vervolgens weer overschreden. Uitzichtloze relaties, verslavingen, leningen, wantoestanden in politiek of kerk. De beproevingen waar Jacobus over schrijft beperkten zich niet tot de eerste christenen die door andersdenkenden veracht werden. Ze zijn van alle tijden en uit ieders leven, in grote en kleinere afmetingen.

Standvastigheid is inderdaad, Jacobus, een fraai ideaal om naar toe te werken. Weten waar je voor staat. Staan voor wat je heilig is. Betrouwbaar zijn in het nakomen van toezeggingen op cruciale punten. Jacobus moedigt al die kleine huiskamergroepen, al die nieuwe gemeenten her en der in de diaspora verspreid, aan tot standvastigheid. Hij wil hen inspireren om de schat aan levenswijsheid die de mensen hebben ontdekt door ontmoetingen met en verhalen over Jezus, niet los te laten, niet te relativeren. Ga niet twijfelen, zegt Jacobus, maar hou je vertrouwen vast. Zoals Job zijn godsgeloof bewaart, en geprezen wordt om zijn standvastigheid wanneer hij al die rampen verdraagt die over hem afgeroepen worden. Ware beproevingen zijn het die afkomstig zijn van de duivel, die in het grieks met diabolos wordt aangeduid, ofwel de tweedrachtzaaier. De duivel dus als degene, datgene, dat een mens uit zijn heelheid verleidt. Die de mens aan het twijfelen brengt. In het woord twijfel kun je het woord twee nog horen. Verdeeldheid, gespletenheid, verwarring. Midden in de Bergrede laat Matteus Jezus zijn toehoorders dan ook oproepen om ‘onverdeeld goed te zijn, zoals jullie hemelse Vader onverdeeld goed is’ (Mt 5,48). Met ‘onverdeeld’ bedoelt Matteus uit één stuk (dat is de letterlijke vertaling van het griekse woord teleios), dus niet in tweeën. Laat je niet opsplitsen, maar wees evenwichtig. Zoals die rots een eindje verderop in de Bergrede, waarop het beter is je huis te bouwen, dan op het losse zand (Mt.7,24).
Het kan niet anders zijn dan dat Jacobus tot standvastigheid oproept omdat hij weet heeft van twijfel. Van aarzelingen. Van situaties waarin zelfs een religieus mens verdeeld raakt, en zich op zijn geloofsovertuigingen bevraagd voelt. Met geloof is immers ook twijfel gegeven. Geloof zonder twijfel is een zeker weten dat zich afsluit voor de kwetsbaarheid van verlangen en hoop. Bij geloof hoort twijfel. Alleen wie de twijfel kwijt is, raakt fanatiek. Dan wordt religieuze overtuiging tot een standvastigheid met ‘hakken in het zand’ en dus vooral geen duimbreed toegeven. Of tot fundamentalistische halsstarrigheid.
Vandaag de dag kunnen we niet meer over standvastig geloof spreken zonder te beseffen dat er kwaad berokkend kan worden met heilige overtuigingen.Twijfel daarentegen geeft ruimte voor kritiek en houdt zodoende scherp. En bovendien schenkt twijfel je de vreugde van het steeds weer opnieuw hervinden van vertrouwen. Zonder beproeving is geloof weinig waard. Wie zich niet meer beproefd voelt, omdat hij zich geharnast weet met zekerheden en absolute waarheden, gaat voorbij aan het vertrouwen dat vertrouwen is doordat het steeds weer opnieuw vorm krijgt.
In het onlangs verschenen boek Lof der twijfel onderzoeken de schrijvers hoe we overtuigingen kunnen koesteren zonder daarbij fanatiek te worden (Peter Berger & Anton Zijderveld, Lof der twijfel. Cossee 2010). Twijfelen helpt, concluderen ze. Maar niet over alles, want dan blijft er alleen leegte over. Mensen hebben idealen nodig om na te streven, passies die inspireren, overtuigingen die het leven richting geven. Is er dan een inzicht, zo vragen deze denkers zich af, dat alle mensen zouden kunnen delen, dat boven de twijfel verheven is en geen fanatisme hoeft op te roepen?
Wikkend en wegend, al strepen trekkend dus, komen de schrijvers uit bij de Gulden Regel die door rabbijn Hillel werd gegeven als samenvatting van de hele Tora: ‘wat gij niet wilt dat u geschiedt doe de ander niet’. Goh, denk ik dan, dat zit wel heel dicht bij wat wij hier almaar oefenen.
De eerste christenen werden ’mensen van de weg’ genoemd. In de Handelingen worden de volgelingen van Jezus zes keer zo aangeduid. Als mensen die een spoor volgen, die een weg weten door het leven heen. De weg die Jezus in aansluiting bij de joodse leefregels voorleefde, is ook niet zonder twijfel of, streepjes. Maar zijn weg trekt in het midden van de rijbaan niet een enkele streep, maar zelfs een dubbele streep: hier mag je niet overheen! Eer God en heb uw naaste lief, zoals u zelf lief gehad wilt worden. Of zoals blijkt uit zijn daden van medemenselijkheid: liefde als laatste en eerste woord. Dat zijn strepen waar niet mee te schuiven valt. Of waar op zijn minst niet mee geschoven zou mogen worden. Als we elkaar met zijn allen op die streep zouden kunnen ontmoeten...

Gelezen: Jacobus 1, 2-18

Mirjam Wolthuis gaat voor in de Dominicuskerk, Spuistraat, Amsterdam.

Terug naar boven

Vakantie

Zullen we
zei ze
samen
in een groot bed
in een hotel-
kamer
gaan liggen
met pyjama's
aan en
dan de knecht
taart laten brengen?

Judith Herzberg

uit: Doen en laten, een keuze uit de gedichten.
Bekroond met de P.C. Hooftprijs.
Rainbow Pocketboek 172
ISBN 90-417-0138-9

Terug naar boven

Er is veel lijden in een mensenleven

Er is veel lijden in een mensenleven, waarbij je weet: dat heb ik mijzelf op de hals gehaald.
Maar er is ook heel wat leed waarbij ik moet denken aan Job, de Bijbelse man die alles ontnomen wordt en die voor God gaat staan en dan zegt: Ik ben onschuldig. Waarom overkomt mij dit?
Hij is kwaad op God en voelt zich machteloos; het is alsof hij tegen een muur praat. Want God zwijgt in alle talen en de woorden van Job ketsen af als op een rots.
Maar tenslotte verheft de Eeuwige dan toch zijn stem. Er volgen geen troostende woorden en ook geen verklaring voor wat Job allemaal aan ellende overkomt. Nee, God daagt hem uit: “Ga recht overeind staan jij, en weer je! Want ik ga jou vragen stellen, Job. En Job wordt op zijn plaats gezet.
Ik lees daarin: het heeft niet zoveel zin om het leven, om God of jezelf verwijten te maken.
Wat gebeurt, dat gebeurt. Het is niet anders. Zoek liever troost en kracht in je geloof om te kunnen dragen wat je overkomt.

Ook Marcus heeft het over angst en geloof. Hij is de tolk van Petrus en later vergezelt hij ook Paulus.
Hij schrijft zijn Evangelie aan de jonge kerk in Rome. De christenen daar worden hevig vervolgd door Nero. Ze krijgen zelfs de schuld van de grote stadsbrand van Rome in het jaar 64. Ze moeten vluchten en duiken onder in de catacomben, de ondergrondse begraafplaatsen van de stad. Daar is het nacht, net als in dit Evangelieverhaal. Het spookt er en Jezus is voor hun gevoel nergens te bekennen. Marcus reikt die mensen daar deze bevrijdingsverhalen aan. Verhalen over uittocht, doortocht, over de duistere afgrond van het water, waar je toch overheen kunt lopen. Over de oerzee gaat het, die bedwongen wordt. Over angst dus en over geloof.
“Laten we naar de overkant gaan”, staat er zo mooi. De overkant van het meer, dat is onbekend, heidens gebied, onzekere toekomst. Ook hier onder ons zijn er mensen die die tochten naar de overkant kennen, dat gevoel van angst en onzekerheid: wat staat me te wachten?
Het kan stormen in je leven en woelen in je hoofd. Vaak ben je dan nergens meer. Red ons uit chaos, ellende en matheid, zongen we. En inderdaad, het lijkt alsof God slaapt. Hoort Hij je niet roepen in de nacht, vol angst voor de woest kolkende oerzee waar in je dreigt onder te gaan? Waarom moet mij dat overkomen? Waarom ik weer? Waar heb ik dat aan verdiend? Woedend en doodsbang kun je dan zijn. Raakt het u niet dat we vernietigd worden?

Jezus slaapt schijnbaar. net zoals de Eeuwige lijkt te slapen. Maar Jezus slaapt niet uit onverschilligheid, maar uit het diepe gevoel dat met het woord “geloof” te maken heeft. Het is hetzelfde geloof als waarmee het volk de doortocht door zee en woestijn maakt. Het is het geloof, het vertrouwen dat ze in de handen zijn van de Eeuwige, die Bevrijder genoemd wordt. Te midden van al dat dreigende geweld vindt Jezus innerlijke rust en vertrouwen. Dat wil hier gezegd worden. Bij alles wat Hem overkomt blijft Hij overeind, omdat Hij zich verbonden weet met de Eeuwige. En als ze Hem wakker schudden, dan vraagt Hij: “Waarom ben je bang? Ga recht overeind staan en weer je!”
Hij verwijt ons niet onze angst, maar dat we bij onze angst niet het vertrouwen hebben om die angst aan te pakken. Martin Luther King zei eens dat er bij hem thuis een spreuk aan de muur hing: “Angst klopte aan de deur, geloof deed open, er was niemand”. Het gaat om het vertrouwen dat God je ondanks alles vasthoudt. Hij is dragende grond, een rots om op te bouwen. “Ik zal niet vallen uit zijn hand”, zeggen de psalmen.
Maar als die woeste zee nou eens staat voor die grote afgrond, die laatste levensgrens van de dood?
De Evangelieverhalen zeggen dat het er ook dan op aankomt innerlijke rust te vinden tegen de angst.
En daarvoor zul je nu al je leven moeten verankeren in God en steeds meer leren te slapen te midden van de stormen. Dan zal blijken dat ook de dood uiteindelijk niet onze vijand is, maar de broeder van de slaap en het begin van eeuwigheid. Franciscus noemt in zijn Zonnelied de dood zelfs: Zuster.
Hij heeft een innige band met de Eeuwige. Daarom is voor hem zelfs de dood teder geworden.
Ze heeft een meisjesgezicht. Niet meer schrikwekkend, niet gebiedend, niet een man met een zeis. Nee, ze is een zusje geworden, met wie je jarenlang hebt gespeeld. Zusje dood is zij, en zij hoort gewoon bij jouw leven, is de voltooiing ervan.
Dat is mooi gezegd natuurlijk. Maar toch hebben wij mensen het er vreselijk moeilijk mee dat ons bestaan zo vluchtig is, dat ons leven eindig is. Wie vandaag nog kerngezond is, kan morgen doodziek zijn. Wie vandaag nog leeft, kan morgen gestorven zijn. Juist als je ouder wordt, word je steeds meer geconfronteerd met verlies en met eindigheid. Je moet inleveren op je krachten, je gezicht, je gehoor, je zelfbewustzijn, je identiteit. En er vallen steeds meer dierbaren om je heen weg. Je moet loslaten wat je lief is. En dat kan vreselijk pijnlijk zijn. Ieder van ons maakt dat van nabij mee. Je gaat door een heel proces. Je voelt je verdoofd en verlaten. Je weet het gewoon even niet meer. Flarden boosheid gaan door je gedachten en grote vragen dringen zich op. Je ervaart ineens weer heel hard je breekbaarheid en je kwetsbaarheid.

Ook Jezus deelt in dat eindige sterfelijke bestaan van ons. “In uw handen, Heer, beveel ik mijn leven”, zegt Hij. En vol vertrouwen en in volle overgave sterft Hij. Natuurlijk zal daar bij Jezus en ook bij Franciscus een heel proces aan zijn voorafgegaan. Ook zij moeten periodes hebben gekend van grote onzekerheid. Maar daar zijn ze mee vertrouwd geraakt. Ze hebben geleerd om los te laten. Zo kan verlies je nog wel overkómen, maar het is dan niet meer iets wat je passief ondergaat. Je kunt leren om actief los te laten wat je verliest. Tot onthechting komen van wat je dierbaar was. “Wie zijn leven verliest, zal het vinden”, zegt Jezus. Maar dat is wel een heel proces, een lange weg. Als het je lukt om het verliezen, het loslaten zelf tot een levenshouding te maken, dan kan de leegte, die een verlies of gemis achterlaat, uiteindelijk tot nieuwe ruimte voor leven worden. Je geeft je dan niet over aan de dóód, maar aan de Eeuwige.
Ik zie u al denken: “Maar zó groot is mijn geloof niet!” Misschien moeten we zeggen dat we dat geloof, dat vertrouwen, alleen maar sámen, met elkaar, kunnen opbrengen. Dat we tegen elkaar zeggen: “Wat jij daar zegt over je geloof in God, dat Hij ons door de duistere nacht zal dragen, over het woeste water naar de onbekende overkant, dat zal ik ook proberen te geloven. En daarom wil ik nu al proberen mijn dagelijkse leven te bergen in Gods hand. Dan zal het ook bij hoge zeeën en zelfs bij de grens van de dood in God geborgen zijn”.
Wat ons redt en wat ons in vrede doet leven, is dus dag aan dag het stille vertrouwen in de voortdurende aanwezigheid van de Eeuwige. Voor dat geloof hebben we elkaar nodig. We zitten samen in de boot en koersen op elkaars geloof. Daar moeten we het van hebben.
“De ban der duisternis gebroken, en het werd morgen, dag na dag. Een wereld in het licht gesproken, een mensheid die beginnen mag”.

Leo Koerhuis.

Terug naar boven

Er is één godsdienst

Er is één godsdienst, de godsdienst van de liefde.
Er is één taal, de taal van het hart.
Er is één kaste, de kaste der mensheid.
Er is één God en Hij is alomtegenwoordig.
Kwijt je van je taak, verricht werk dat je is toegewezen, maar vergeet nooit dat diezelfde goddelijkheid woont in ieder mens.
Het leven is een lied - Zing het.
Het leven is een spel - Speel het.

Het leven is een uitdaging - Neem hem aan.

Het leven is een droom - Maak hem waar.

Het leven is een offer - Breng het.

Het leven is liefde - Geniet ervan.

Als je christen bent, word een betere christen,

als je moslim bent, word een betere moslim,

als je hindoe bent, word een betere hindoe,

als je boeddhist bent, word een betere boeddhist.

Verwerkelijk je ware, innerlijke Zelf.

Onthechting is een plant die langzaam groeit; als je de tere plant plukt om naar de peulen te kijken, zul je teleurgesteld zijn. Want alleen lange en voortdurende oefening wordt beloond met de vrede die God biedt.
Deze teksten zijn van: Bhagvan Sri Sathya Sai Baba, India geboren 1926.
Wijsheden uit een andere cultuur en toch zo dichtbij dat ze voor mij als christen en oecumeen goed te herkennen zijn.
Is er een universele waarheid? Ligt er in andere culturen en wijsheidsfilosofieën dezelfde grote waarheid?
Is er binnen het weten en denken over Het Grote Geheim van dat wat leven is en heet een gemeenschappelijke waarheid? Soms in wat andere bewoordingen, maar toch?
De kracht van de liefdevolle levenswijsheden van Jezus van Nazareth worden er zeker niet door ontkracht. Nee, eerder worden zij bevestigd door wat anderen in goedheid overbrengen.

Rik Bronkhorst.

Terug naar boven

Jezus droom van een betere samenleving

Lucas is arts van beroep. In zijn Evangelieverhalen proef je dat hij de tragiek van ziekte en dood van nabij kent.
Hij spreekt rond de dood van Jezus dan ook vaak over niet zien, niet begrijpen, het maar niet kunnen geloven.
Er is alleen maar leegte. Nou, die verslagenheid, daar staan die twee Emmaüsgangers voor.
Ze zijn het spoor volledig bijster. En daarom trekken ze maar weg uit Jeruzalem - stad van vrede – en slaan weer de richting in van Emmaüs, de vestingstad. Terug naar af dus.
Even had het erop geleken dat het wat ging worden met die Jezus en met zijn droom van een samenleving, gebaseerd op liefde. Maar Hij is opgepakt en terechtgesteld.
Er doen wel een aantal sterke verhalen de ronde, maar al met al is het nu de derde dag.

Derde dag?, denk ik dan. Alles wat belangrijk is in de Schrift gebeurt altijd op de derde dag: dat is de dag van de Eeuwige, dag van bevrijding, vervulling, licht, nieuw begin van leven. Er staat dus wat te gebeuren!
Op de derde dag leggen die twee de feiten nog eens naast elkaar, heel dat schokkende verhaal.
Eerst dit en toen dat en Hij was onze hoop en we hadden nog zo gedacht...
Maar het refrein is telkens: Hem zagen ze niet. Hij is nergens meer.
En dan staat er ineens zoiets als: In hun spreken en zoeken naderde Jezus en trok met hen voort.
In dat heen en weer praten is Hij op een of andere manier bij hen, maar ze zien Hem niet.
Hij is als een vreemde voor ze.
En dan stelt Hij hun die vraag: Waar hebben jullie het over?
Ze houden hun pas in: Lees jij geen krant, kijk jij nooit naar het journaal?
Weet jij dan niet wat er allemaal om gaat in de wereld van vandaag?
Maar Hij vraagt door: Wat is er nu wérkelijk gebeurd?

En ze vertellen over die afgang, en weer dat refrein: Hem zagen ze niet.
In hun verhaal geen spoor van opstanding, verrijzenis, voortgang, hoop. Elke verwachting is opgedroogd.
Ze zijn ontmoedigd en versleten. Het houdt een keer op. We hebben er lang in geloofd, maar we weten nu wel beter: het kwaad is weer eens sterker dan het goede. En waar is God dan wel bij al die ellende?

En dan opent Hij hun de Schrift.
Dat klinkt plechtig, maar wat Hij laat zien is de ándere kant van de geschiedenis, de ándere kijk op de feiten.
Ach jullie toch… Misschien heeft Hij schriftverhalen verteld van ooit de eerste scheppingsdag, die begon met licht uit het donker, en van Abraham die wegtrok uit Ur, van Jozef uit de put, Daniël uit de leeuwenkuil, Sara uit haar tent, een heel volk uit Egypte, gered uit de zee, water uit de rots, ballingen uit ballingschap, een lamme uit verlamming, een verloren zoon weer thuis, over brood genoeg voor allen, over vrede en verzoening, ieder mens recht gedaan, stenen weggerold, de dode die leeft en de zon die opgaat na een lange nacht.
Allemaal dingen waar je alleen maar van kunt dromen. Maar het is wel telkens de ándere kant van de werkelijkheid: hoe deze wereld bedoeld is, waar ons geluk, waar vrede te vinden is en wie ons voorgaat op die weg.
Ach jullie toch... dat je niet inziet dat de dood van de Christus is als het vallen van graan in de aarde.
Dat dit het einde niet is. Dat het allemaal doorgaat. Dat dat leven van die Jezus, zijn band met God, zijn prachtige liefde, alles waar Hij voor stond, dat dat allemaal met zijn dood niet ophoudt, maar juist het begin is van een nieuwe morgen.
Dat Hij de enge ruimte van zijn eigen ego moest verlaten om zich in liefde te verbinden met het grote geheel, die grote stroom van het leven door alle tijden heen.
Dat Hij staat voor de nieuwe mens en zo graag zou zien dat ook jullie opstaan uit je dagelijkse dood.

Zo wordt het avond op die derde dag.
En de vreemdeling gaat met hen aan tafel om het brood te breken.
Hé, zie wat hier staat: na de schriftuitleg, de preek dus, volgt het breken van het brood, de Eucharistie.
Dat was bij de jonge kerk kennelijk al zo.
Gelovigen hebben altijd twee lampen gehad om hun weg te vinden in het dagelijkse leven: de verhalen uit de Schrift, die oproepen om mee te doen aan die beweging van bevrijding en van liefde in de wereld; en een tweede lamp: de Eucharistie, de viering van verbondenheid met Jezus en met alle mensen van goede wil.
Van oudsher komen ze daarvoor op de eerste dag van de week, bij elkaar.
En als ze dan weer opstaan en uiteengaan, zijn ze bemoedigd om op hun eigen plaats weer te doen wat moet worden gedaan: ze gaan weer werken aan een barmhartige samenleving.

Dat is wat hier verteld wordt over dat gebeuren op die avond van de derde dag.
Pas wanneer die reisgenoot de Schrift uitlegt, de verhalen van liefde en bevrijding, en als Hij met hen Eucharistie viert daar in Emmaüs, dan komen ze tot het inzicht: o God, Hij is het.
We hadden al zo’n warm gevoel van binnen. Maar meteen is Hij al weer weg.
Zien, soms, even, daar moeten we het mee doen. Maar dat is voldoende om op te staan en om te keren: om met nieuwe moed de weg in te slaan naar de stad van vrede, de morgen tegemoet.
Hij leeft, wij hebben Hem gezien, zeggen ze.
We herkenden Hem toen ons de Schrift werd uitgelegd en toen we samen het brood braken...

Ik herken in dit verhaal zoveel van mijzelf en van de samenleving van onze dagen.
We hadden nog zo gehoopt en het schiet allemaal maar niet op.
Kijk maar naar het journaal! Hoe mensen met elkaar omgaan!
Zijn daar het kwaad en de dood niet sterker dan de liefde en het leven? Waar is God bij al dat leed!
En wat te denken van de plaats van de kerk in de wereld van vandaag! Het wordt allemaal minder.
Waar moet dat eindigen? En hoe moet het verder met deze geloofsgemeenschap.
We zijn zo kwetsbaar geworden, lijkt het.
Nou, dit Emmaüsverhaal wordt aan ons doorverteld om er troost en moed uit te putten bij alles wat wij meemaken.
Om weer te beseffen dat ook nu aan kwaad en dood niet het laatste woord is, al lijkt het er soms schrikbarend veel op.
Eigenlijk wordt ons gezegd: Zorg dat Hij niet voor niets gestorven is.
Dat je je niet overlevert aan de heersende machtsverhoudingen en ook niet aan je eigen ego.
Want dan gaat de samenleving er aan.
Zorg dat Hij in jou is en overal blijft opstaan.
Hijzelf loopt met ons op, al herkennen wij Hem vaak niet.
Hij is metgezel op onze levenstocht, een engel op onze weg, God-met-ons.
En Hij legt ons onderweg de Schrift uit, geeft ons een andere kijk op de feiten.
We merken het vaak niet dat Hij het is die met ons aan tafel gaat als wij het brood breken.
Dat Hij ons weer aan zich bindt door dat sacrament van liefde. Dat Hij is opgestaan en leeft!
Door hier trouw samen te komen laten wij zien dat wij, met Jezus en heel zijn beweging van liefde in de wereld, verantwoordelijkheid willen blijven dragen voor de toekomst van het leven.
Ook wij steken hier telkens die twee lampen aan om ons bij te lichten op onze levensweg.
En we zingen tegen alle terreur en vergelding in over liefde en gerechtigheid, opstanding en nieuw leven.
Dat doen we om het vol te kunnen houden om die weg te gaan en om het geloof te bewaren in een menselijke toekomst.

Nu wordt het morgen vast weer een dag als de dagen hiervoor.
De media zullen niet ophouden te berichten over belegerde steden, vluchtende kinderen, angstaanjagende films en verdampende kerken.
Maar daartegen zullen wij als gelovige mensen óns verhaal blijven zetten: dat Woord dat ooit de stilte heeft verbroken en dat méns werd. We zijn er in gedoopt, het maakt ons verantwoordelijk.
Het zal altijd weer klank en stem krijgen, het zal een lied worden tegen de nacht in de samenleving.
God weet komt het dan toch nog goed met ons mensen. Zo moge het zijn.

Leo Koerhuis

Terug naar boven

Tijd maken ...

Als je tegenwoordig aan mensen vraagt: ‘Hoe gaat met je?’ krijg je vaak als antwoord: ‘Ik heb het erg druk.’ Mensen hebben een druk bestaan. Wat moet er veel! Tijdens doopgesprekken met ouders van jonge kinderen valt me op hoezeer zij hollen en rennen. De combinatie tussen werk en zorgtaken vraagt veel tijd en energie. Een jonge vrouw met drie kinderen vertelt: “Straks is mijn verlof afgelopen en dan begint de hectiek van alledag weer: de kinderen moeten naar de crèche zodat ik op tijd op mijn werk ben. En wat kun je in de stress raken als je terug van je werk in de file staat om je kind weer op tijd te moeten halen. ‘s Avonds ben ik bekaf! ”
Tijd voor jezelf staat in die levensfase op een laag pitje. Maar ook ouderen hebben tegenwoordig een drukke agenda met allerlei afspraken, activiteiten en verplichtingen.
Op de achtergrond hoor ik Herman van Veen zingen:

Opzij, opzij, opzij,
maak plaats , maak plaats, maak plaats.
we hebben ongelofelijke haast.
Opzij, opzij, opzij,
we hebben maar een paar minuten tijd
we moeten rennen springen vliegen duiken vallen
opstaan en weer doorgaan
we kunnen hier niet blijven,
we kunnen hier niet langer blijven staan.

In onze hectische samenleving lijkt het wel dat we geen vat op de tijd kunnen krijgen. Tijd glipt ons vaak door de vingers. Dat is jammer, want er is zoveel moois en waardevols om ons heen. Maar hoe doe je dat, tijd maken voor de dingen die er echt toe doen?

Dat roept bij mij meteen de volgende vragen op:

Is tijd maakbaar? Wie of wat bepaalt hoe je je tijd indeelt en wat je doet? Waar liggen jouw prioriteiten? Wat laat je voorgaan omdat het zo hoort of wat moet voorrang krijgen omdat je het wilt? Maak je in je leven tijd voor mensen en dingen die er echt toe doen?

Tijd is iets wonderlijks. Je kunt het zo verschillend beleven.

Tijd is te langzaam voor wie wachten,
te langdurig voor wie in angst verkeren,
te lang voor wie rouwen,
te kort voor wie druk zijn,
maar voor hen die liefhebben is tijd eeuwigheid.....

Als ik bij de zee aan het strand loop, voel ik iets van eeuwigheid - de zee die er altijd was en er zijn zal. Als je goed kijkt zie je dat de zee elk moment weer anders uitziet: de lichtval, de wind, de vogels. En tegelijk merk je de invloed van de getijden. Die komt en gaat…

Alles heeft zijn tijd lezen we in het boek Prediker. Ik beschouw deze tekst als een gedicht van ons leven, waarin alle deelgebieden van ons leven beschreven staan als een heuvelachtig landschap met hoogte- en diepte punten, van vreugde en geluk, van ziekte, verdriet en verlies. Dat gedicht lijkt misschien op het eerste gezicht te suggereren dat het leven bestaat uit losse eenheden, uit brokken tijd en tegengestelde ervaringen die nauwelijks te rijmen zijn. Maar Prediker - een niet nader geïdentificeerde auteur uit de 3e eeuw voor Christus - wil ons geen gefragmenteerd beeld laten zien, maar een mozaïek. Hij schetst het leven juist in al zijn volheid, de tegenstellingen worden bij hem een eenheid: goede en slechten tijden horen bij het leven, jij die boos op iemand bent en jij die zielsveel van iemand kan houden, de rouwende en de verliefde, wij zijn ze allebei. Dat klinkt relativerend en ik denk dat deze wijsheidsleraar het ook zo bedoeld heeft.

Tijden van geluk, liefde, gezondheid en rijkdom zijn er als hoogtepunten, tijden van ziekte en ongeluk als niet te vermijden contra-punten. Het leven trekt zich niets aan van goedheid en rechtvaardigheid. De beste mensen worden getroffen door de meest vreselijke dingen en er is geen zin in te ontdekken. Onverbloemd brengt Prediker deze ervaring van alle tijden naar voren. Zo onverbloemd, dat velen er verlegen mee zijn. Juist omdat deze woorden in de bijbel staan. In nota bene de bijbel lezen we dan van Prediker die zegt dat het leven niet rechtvaardig is.

Laat Prediker God los? Ja, Prediker laat een God los, dat is waar. De God van oorzaak en gevolg, de God van 'wie goed doet, goed ontmoet'. Inderdaad, die God bestaat niet. Ik moet u eerlijk zeggen dat ik het een verademing vind. Want als ik in die God zou moeten geloven, zou ik mijn geloof allang kwijtgeraakt zijn aan de realiteit van onze wereld.
Met Prediker mag ik die God loslaten in Naam van onze God, die weliswaar ons begrip verre te boven gaat, die groter is dan al onze systemen, maar die ons tegelijk zo nabij kan zijn, die we Vader of Moeder mogen noemen, die altijd de Verborgene is, maar juist ook in moeilijke tijden de Aanwezige wil zijn. Het klinkt misschien cryptisch, maar voor Prediker is het heel concreet: in al die goede dingen die gebeuren in goede tijden maar ook in slechte tijden - hoe klein ook - daar vermoedt hij God. Dat is een geloof dat niets triomfantelijks heeft, maar dat wel dag in, dag uit dag, ondanks alles, troost biedt en zicht geeft op schoonheid.

Alles heeft zijn tijd... Is dat niet een open deur?

Tot ik merkte dat er een diepe waarheid in schuilt - alles heeft zijn tijd...Maar wij nemen en maken de tijd vaak niet....- we maken de tijd niet om te rouwen en om te dansen...mensen nemen soms de tijd voor elkaar - om elkaar te laten merken hoeveel je van elkaar houdt - om er te zijn als de ander verdriet heeft...

Alles heeft zijn tijd - eigenlijk staat er: voor alles is bestemde tijd - kairos, dat betekent een geschikt moment, aangewezen tijd. In dit verband denk ik aan de uitspraak uit Afrika: “Jullie hebben de klok, wij hebben tijd.”

Achter deze uitspraak gaat een diep inzicht schuil in de manier waarop wij omgaan met tijd. De Grieken maakten reeds onderscheid tussen de meetbare tijd ‘chronos’ en ‘kairos’. Wij in het westen onderwerpen ons vaak aan de tijd die meetbaar is. We maken afspraken tot op de minuut nauwkeurig, kijken constant op onze horloges om te zien of de ander zich ook wel houdt aan zijn/haar afspraak. Alles moet binnen een precies vastgelegd tijdbestek worden afgelegd. Op deze wijze dwingen we ons in een soort korset dat knelt en ons de ruimte om te ademen ontneemt. Afrikanen hebben volgens mij meer weet van kairos. Terwijl chronos -de meetbare tijd- een kwantitatief begrip is, is kairos een kwalitatief begrip. Het is aan te duiden met ‘het juiste ogenblik’ of zoiets als in de tijd zijn, het ogenblik waarop je er helemaal bent.

Hoe kun je op deze wijze tijd ervaren?

Tijd die je kunt genieten, die eindeloos is, ja eeuwig...

Daarin kan ons de tweede tekst van vanochtend verder helpen.

Augustinus omschrijft kairos als de tijd van het heden. De menselijke ziel kan volgens hem tijd ervaren. Ze kent de tijd van het verleden die gekoppeld is aan onze herinnering en de tijd van de toekomst die gericht op verwachting. De tijd van het heden is volgens Augustinus contemplatie, waarin de mens tijd neemt voor het binnenste van hemzelf. Ik zou het willen omschrijven als tijd nemen voor je ziel waarin je God kunt ontmoeten en je ware zelf.

Zullen we na deze viering de tijd nemen om bewuster met tijd om te gaan en tijd te maken voor mensen en dingen die er echt toe doen? Ons zo min mogelijk te laten leven.

Als predikant spreek ik veel mensen aan het einde van hun leven. Heel vaak gaat het er dan over hoe zij hun leven hebben ingevuld. Eerlijk is eerlijk, nooit hoorde ik iemand verzuchten 'had ik maar tijd in mijn werk gestopt'. Vaak, opvallend vaak hoor ik spijt van te weinig tijd een aandacht voor de allerliefsten.

God heeft ons de tijd gegeven om te leven bij de dag.

Er is een joodse wijsheid die zegt, dat de ware levenskunst daarin bestaat om datgene waarmee je op een bepaald moment bezig bent, dat moment te beschouwen als het belangrijkste dat er in de wereld is.

Leven in het nu. Leven bij het moment.

Anette Sprotte, voorganger bij het oecumenisch centrum Het Brandpunt te Amersfoort.

Terug naar boven

Het is de aarde die drijft ...

Het is de aarde die drijft en rolt door de mensen
Het is de lucht die zucht en blaast door de mensen
De mensen liggen traag als aarde
De mensen staan verheven als lucht
Uit de moederborst groeit de zoon
Uit het vadervoorhoofd bloeit de dochter
Als rivieren en oevers vochtig en droog is hun huid
Als straten en kanalen staren zij in de ruimte
Hun huis is hun adem
Hun gebaren zijn tuinen
Zij gaan schuil
En zij zijn vrij

Het is de aarde die drijft en rolt
Het is de lucht die zucht en blaast
Door de mensen.

Lucebert.

Uit dichters van deze tijd, 1969.
Uitgeverij P.N. van Kampen en zoon n.v.
Amsterdam

Terug naar boven

Richtlijn ter overdenking

Sluit je niet op in eigen klein bestaan
Beschutte plek, ver van de storm vandaan.
Waar jij je aan je tuin wijdt, je ziel,
Met wie je lief zijn leeft in harmonie.

Je tuin wordt zoveel mooier als je merkt
Dat anderen genieten van die plek.
Wiedt ook de wereldtuin van giftig kruid,
Van oorlog en gebrek, maak haar tot thuis.

Terug naar boven

De kijk op lijden, volgens de Dalai Lama

Hoewel alle mensen pijn en leed ervaren, krijg ik vaak het idee dat degenen die in sommige oosterse culturen worden grootgebracht, lijden beter kunnen aanvaarden en tolereren. Dit kan deels komen door hun geloof, maar misschien ook omdat lijden in arme landen, zoals India, zichtbaarder is dan in rijkere landen. Honger, armoede, ziekte en dood worden niet aan het oog onttrokken. Wanneer mensen oud of ziek worden, worden ze niet aan de kant geschoven, niet overgebracht naar een verpleegtehuis om verzorgd te worden door verpleegkundigen- ze blijven in de gemeenschap en worden verzorgd door de familie. Degenen die dagelijks in contact komen met de harde realiteit van het leven, kunnen moeilijk ontkennen dat het leven wordt gekenmerkt door lijden, dat het een natuurlijk onderdeel van het bestaan vormt.

De westerse samenleving is erin geslaagd het lijden als gevolg van barre omstandigheden te beperken, maar lijkt daarbij haar vermogen te zijn kwijtgeraakt om te gaan met het lijden dat overblijft. Onderzoeken van sociale wetenschappers hebben nadrukkelijk uitgewezen dat de meeste mensen in de moderne westerse maatschappij het leven doorlopen met de gedachte dat de wereld eigenlijk best een leuke plaats is om in te wonen, dat het leven grotendeels eerlijk verloopt, en dat zij goede mensen zijn die nu eenmaal ook goede dingen verdienen. Deze overtuigingen kunnen een belangrijke rol spelen bij het leiden van een gelukkig en gezond leven. Maar als het lijden zich toch aandient, wat onontkoombaar is, ondermijnt dat deze overtuigingen en kan het moeilijk worden gelukkig en doelgericht verder te leven. In deze context kan een relatief klein trauma een enorme psychische schok teweegbrengen: je kunt je geloof verliezen in de fundamentele overtuiging dat de wereld eerlijk en goedaardig is. Hierdoor wordt het lijden versterkt.

De wens vrij te zijn van lijden is natuurlijk het rechtmatige doel van ieder mens. Dat is het logische gevolg van onze wens gelukkig te zijn.
Maar zolang we lijden als een onnatuurlijke toestand beschouwen, een abnormale aandoening die we vrezen, vermijden en afwijzen, zullen we de oorzaken van lijden nooit uitroeien en beginnen aan een gelukkiger leven.......

Dit is een fragment uit "De Kunst van het Geluk", een handleiding voor onze zoektocht naar geluk, door de Dalai Lama uitgesproken en opgeschreven door Howard Cutler.
Uitgeverij: Nirwana

Terug naar boven

Ja

Ik heb je lief zoals je soms
gelijk een gouden zomerdag bent
nee, nee, nee,
ik heb je lief zoals je bent
nee, nee,
ik heb je lief zoals
nee,
ik heb je lief.

Als je tot het inzicht komt, dat het in wezen alleen maar daarom draait: de liefde voor elkaar, binnen en buiten je relatie, dan ben je al goed op weg "mens" te worden..
Een goed mens, een mens met mededogen en vriendelijkheid, een mens dat open staat voor de ander, dichtbij of veraf, binnen of buiten je relatie.
Vat dat nou niet direct verkeerd op, buiten je relatie, buiten hem of haar en zij die je dierbaar zijn, bedoel ik.
Gewoon omkijken, aankijken, naar omzien.
Handen uit de mouwen, als dat kan, maar in ieder geval in woord en gebaar open en vriendelijk.
Niet alleen met de kerstdagen, niet alleen begin januari als goed voornemen, (i.p.v. een ego-voornemen)
Nee, zonder dat het u moeite kost of zou moeten kosten, zonder dat het u geld kost, gewoon een vriendelijke blik, een vriendelijk woord, een beetje attent zijn voor elkaar, bekende of vreemde.
Dat geluk wens ik ù toe.
Want echt, lang niet altijd, maar op een of andere wijze komt hetzelfde dan ook weer naar uzelf toe.
Zo werkt dat: wie goed doet goed ontmoet, uiteindelijk.
En de samenleving wordt er een beetje leefbaarder van.
Dat heeft niets te maken met welke politieke of religieuze voorkeur u al dan niet hebt.......

Rik Bronkhorst.

Het gedicht is van:
K.Schippers.
Uit: Dichters van deze tijd.
Uitgeverij: P.N. van Kampen en Zoon N.V.
Amsterdam.

Terug naar boven

Geduld

Elke dag zinkt weg in de nacht,
maar er is een bron
die het licht vasthoudt,
op de bodem.
Je moet aan de rand
van de donkere bron hurken
om naar het gezonken licht
te hengelen,
met geduld.

Pablo Neruda.

Terug naar boven

Preek Franciscus viering

Het gebeurt af en toe dat ik mensen, die terug kijken op hun leven, hoor zeggen: "Met Gods hulp heb ik dit allemaal kunnen doen". Of, wanneer we veel moeilijke momenten hebben meegemaakt: “Zonder de hulp van God had ik ik het nooit kunnen volbrengen”. Hieruit spreekt een visie op het leven, waar in God een drijvende kracht is.

Wanneer wij het leven van heilige mensen bestuderen, dan komt dat ook heel sterk naar voren.

Heiligen voelden een bepaalde uitdaging en gingen daarop in.

Zo werd de H. Franciscus, gegrepen door de grote kloof die er in zijn tijd al bestond tussen mensen. Franciscus was zelf de zoon van een rijke koopman. Over geld hoefde hij zich geen zorgen te maken. Als Franciscus ridder wordt, krijgt hij een droom. Een stem zegt, dat zijn bestemming ergens anders ligt. Het leven van Franciscus neemt een radicale wending. Hij wordt geraakt door het evangelieverhaal van de zending van de apostelen en trekt nu zelf rond op blote voeten, in sobere kleding en zal zich zijn verdere leven verzetten tegen geld en bezit. Anderen sluiten zich bij Franciscus aan.

Franciscus ziet veel mogelijkheden om in alle oprechtheid “vrede en alle goeds” uit te dragen. Hij voelde Gods aanwezigheid in de schepping, in wat hem overkwam, zelfs toen het slecht met hem ging.

Het geloof is iets dat in het hart van de mens wordt gelegd.

De mens zelf heeft de vrijheid om dat te gebruiken. Geloof wordt heel concreet wanneer mensen het besef in zich laten groeien dat zij met hun leven iets kostbaars kunnen doen ten behoeve van anderen en ten behoeve van God.

Wie niet in zijn schulp kruipt, maar juist ruimte geeft aan het leven voor anderen, merkt dat God een heel bijzondere rol speelt.

Datgene wat menselijk onmogelijk lijkt, ontwikkelt zich tot iets groots.

Jezus vergelijkt het met een mosterdzaadje dat uitgroeit tot een grote boom.

De mens die zich niet laat tegenhouden door angst en onzekerheid, maar risico's durft te nemen is tot veel meer in staat, waar men eerder alleen maar van durfde te dromen. Het verhaal van Franciscus en de sultan illustreert dit. Men had in die tijd een beeld van de moslims, waartegen de kruisridders ten strijde trokken. “Een heilige kruistocht” werd het genoemd. Zijn omgeving raadde het hem af, maar Franciscus ging naar die gevreesde sultan toe om hem te vertellen over de vrede en de liefde van Christus.

Het kost hem niet zijn hoofd. Nee, ze worden vrienden!

Hoe actueel kan Franciscus zijn!

Door je niet in te dekken tegen “wat er mogelijk ten nadele van jezelf zou kunnen gebeuren” bereikt je soms dingen, die de wereld verwonderd doen staan.

Franciscus roemde niet op zichzelf, toen hij probeerde de oorlog te stoppen door met de vijand te praten. Hij voelde zich een knecht in dienst van het Koninkrijk van God.

Hij was niet uit op beloning, maar dankbaar dat zij dit werk mocht verrichten. Hij werd gedreven. Hij kon niet anders, dan zo handelen.

In onze tijd merken wij dat initiatief en leiderschap een hachelijk avontuur geworden is.

Veel leiders doen er alles aan om alle kwetsbaarheid te vermijden. Ze zijn bang om werkelijk hun nek uit te steken om datgene wat onrechtvaardig en onjuist is te benoemen en aan te pakken.

Daardoor kom je terecht in een positie, waar enthousiasme en bezieling niet meer herkenbaar is.

Het is opvallend dat dit zich manifesteert in een tijd, waarin het geloof bij velen ook verzwakt is.

In plaats van problemen echt aan te pakken is men druk bezig met zich in te dekken.

Toch zijn er ook nu nog mensen die in het kleine tot veel in staat zijn; ondanks een zwakke gezondheid, zonder grote studies en belangrijke posities, maar met het hart op de goede plaats.

Zij hebben niets te verliezen en zetten zich belangeloos in voor dingen die menselijkerwijs moeilijk aan te pakken zijn, maar met Gods hulp des te meer.

In hen wordt de blijde boodschap van Jezus heel concreet.

Wie bouwt op God beseft dat men tot meer in staat blijkt te zijn dan men van zichzelf gedacht had.

Een prachtige boodschap die zeker de moeite waard is om mee aan het werk te gaan, met Franciscus als een grote inspirator!

Amen.

Pastoor H. de Jong.

Terug naar boven

Credo

Ik geloof in een rivier
die stroomt van zee naar de bergen
ik vraag van poëzie niet meer
dan die rivier in kaart te brengen

ik wil geen water uit de rotsen slaan
maar ik wil water naar de rotsen dragen
droge zwarte rots
wordt blauwe waterrots

maar de kranten willen het anders
maar de kranten willen het anders
willen droog en zwart van koppen staan
werpen dammen op en dwingen
rechtsomkeert.

Remco Campert.
uit: Dichters van deze tijd.
uitgeverij: P.N. van Kampen en zoon n.v.

Terug naar boven

Ga!

De politiek, de homobeweging, vredesgroepen, werkgroepen in kerken, oecumene, werkers op straat, zorgers bij mensen thuis; Zoveel goedwillende mensen; zoveel vrouwen en mannen die naar eer en geweten hebben gewerkt en werken, hebben gebeden en nog steeds bidden voor een goede zaak; zovelen de eeuwen lang door hebben dezelfde ervaring als Elia gehad. Die gedachte dat het allemaal wel welletjes is. Dat je tijden lang hebt geloofd met hart en ziel in hetgeen je deed – dat je daarin succes hebt gehad en af en toe ervaren moest dat je soms weer helemaal opnieuw moest beginnen. Zoveel mensen, ook in deze kerk die getracht hebben om de kerk tot een gemeenschap te maken naar Gods hart. Zoveel mensen die teleurgesteld zijn afgehaakt want het is niet gelukt in hun ogen. Dromen worden niet waargemaakt, leiders in kerk en wereld gaan niet mee, mensen om hen heen blijven onverschillig terwijl er zoveel moet worden gedaan.

En zo bogen ze het moede hoofd en zeiden tot de Eeuwige: lieve God, ik stop ermee, ik kan niet meer, het is genoeg.

Elia is een mens van alle tijden. Alles meegemaakt, geroepen geworden, succes behaald, mensen op hun spoor naar de Eeuwige gewezen. Maar de terugval van zovelen heeft hem tot in het diepst van zijn ziel teleurgesteld. Hij kan niet meer, hij sterft liever dan nog een stap te zetten. En onder de bremstruik gaat liggen en buigt zijn moede hoofd.

Maar met die bremstruik had hij geen betere plek uit kunnen kiezen. De bremstruik – of beter nog – de doornstruik is uitgerekend de plek waar zijn grote voorbeeld ooit is geroepen. Eeuwen vóór hem stond daar een ander mens – ook niet wetend wat hij verder aan moest vangen met zijn leven. Mozes was zijn naam, en hij liep door de woestijn, verdoold, verdwaasd tot hij aankwam bij die brem. Een struik die in lichterlaaie stond. Dáár werd Mozes geroepen: Mozes, Mozes, ga met mij mee op weg. Stotterend, aarzelend, met frisse tegenzin en met de moed der wanhoop heeft Mozes de uitdaging opgepakt om te gaan met God - de God die beweging is. De God die toekomst heeft.

Wie ben je dan, God? Vroeg Mozes nog aan de God van leven en bevrijding. En die God heeft maar één ding gezegd over zijn naam: ik Ben die is. Dat is mijn Naam. Geen statisch beeld, geen afgod, geen zon maan of sterren. Geen machtige leeuw; nee dat is hij niet. Hij is een dynamische God. Waar mensen gaan, naar het leven toe, daar gaat God mee. En waar God jou roept mag je opstaan en vertrouwen dat Hij je de weg wel wijst.

De doornstruik waar Mozes vóór stond, en waar nu Elia onder ligt is het symbool voor alle wanhoop en ellende. Het is het symbool voor levens die verstrikt zijn geraakt in puntige stekels. In de doornstruik val je als mens makkelijk in, maar eruit komen is een ander verhaal. Dan loop je krassen op, littekens, je haalt je huid open tot bloedens aan toe. Precies in die verstriktheid is God aanwezig. Is de Eeuwige de zijnde.

Zo heeft Mozes hem, die God van bevrijding en leven ervaren, en zo gebeurt Elia hetzelfde. Waar mensen geen weg meer weten en vastzitten in zoveel – daar is God aanwezig om weer heel voorzichtig de takken van de doornstruik van jouw leven weg te buigen. Om misschien wel elke stekel uit je armen, handen en benen te peuteren, om je weer te voeden met levenskracht zodat je weer lef mag hebben om te gaan.

Moe, kapot, hoort Elia zo ook nog ergens zachtjes de roepstem van de Eeuwige: Elia, sta op. Eet en drinkt, en gá. De engel stootte hem aan. Kom op Elia; je bent niet geboren om te blijven staan. Je bent geboren voor het leven. Waar Elia zei: het is genoeg ! Krijgt hij als antwoord van de engel: je wég is genoeg. Zolang de Eeuwige je niet haalt is er nog een weg te gaan. De engel had in Elia het verlangen gewekt om weer te wórden.

Schepen zijn veilig in de haven – maar daar zijn ze niet voor bedoeld.

Gaan is de boodschap waarmee wij geroepen worden. In de hele bijbel van eerste en tweede testament is het gáán hetgeen ons te doen staat. Op weg gaan, en soms met de moed der wanhoop. Met alleen maar die belofte van een God aan onze zijde die we soms maar zo minimaal ervaren. Gaan – en dan in de woorden van Jezus met je hele hebben en houden. Radicaal. Een klein beetje gaan is niet aan de orde. Schoorvoetend gaan omdat de route nog zo nieuw en onbekend is, ook dat al niet.

En soms denk ik wel eens: mogen we dan niet meer aarzelen, eventjes achterom kijken, misschien af en toe heel hard terugrennen naar de veilige haven waar we vandaan komen? Twee stappen vooruit en dan weer eentje terug? Nog even afscheid nemen van wat ons lief is?

Want gaan beangstigt – en daagt uit. Reizen, weggaan uit je vertrouwde omgeving is leuk omdat je weet dat je ooit weer op een thuiskomst in het oude mag rekenen. Reizen met Jezus is een ánder thuiskomen; thuiskomen bij God in het diepst van je ziel.

Met Jezus loop je niet zomaar eventjes mee. Wie de handen aan de ploeg wil slaan kan geen rechte voren maken als hij steeds maar achterstevoren op de trekker zit. Dan trekt die vore krom omdat je simpel weg je blik maar één kant op kan richten. Meegaan met de Eeuwige is zoeken en vertrouwen en luisteren met je hart: is dit jouw weg? En ga ik nog goed?

Het hele pad zal je nooit van te voren weten. Zoveel licht krijg je niet. Maar wel genoeg licht voor elke volgende stap. En zoals ooit iemand schreef:

Hoe hechter je je met Mij, de Eeuwige, verbonden weet,

hoe onthechter jij kan reizen.

Amen

Josephine van Pampus, pastoraal werker te Amersfoort, n.a.v. 1 Koningen 19; Elia, en Lucas 9; 51.57-62.

Terug naar boven

Uitspraak van kerkvader Augustinus

"De grootste vrijheid ervaar je als je het dichtst bij jezelf blijft."

Kerkvader Augustinus, (354-430).

Terug naar boven

Gebed voor God ...

Mateloos ben jij
Droom van leven
Ondoordringbare God
Schoonheid in velerlei
Duister in de nacht
Fluistering in voorbijgaan
Stem die opklinkt
Stilte ter bezinning
Beelden van geluk
Woorden als zucht
Symbool van wijsheid
Grenzeloze God
Rechtvaardige steun
Oprechte ademing
Zachtmoedige streling
Vragende roepstem
Bereider van leven
Zanger, dichter, danser
Toner van verstilling
Dageraad en droom
Monument van hoop
Steunende God
Trouwe God
Liefhebbende God
Levensadem van al dat is
In uw handen leg ik mijn lot.

Rik Bronkhorst.

Terug naar boven

Vertrouwen

Vertrouwen is de uitkomst van
je leven. Hoe groter het
vertrouwen, hoe meer energie we
hebben, want het vertrouwen is
net als liefde een energie.
Als we diepgaand naar de aard
van onze liefde kijken, zien we
ook ons vertrouwen. Als we,
leven met vertrouwen, zijn we
nergens meer bang voor.

Thich Nhat Hanh.

Terug naar boven

Iedereen heeft iets te geven

Richt je op je kwaliteiten die je wel hebt.
Iedereen heeft iets waar hij of zij goed in is en graag doet.

Gandhi richtte al zijn kracht en energie op één enkel ding -ahimsa-, oftewel geweldloosheid.
Dat was zijn grootste kwaliteit, zijn grootste kracht, en doordat hij de wereld die gave aanbood, ontdekte hij dat zijn leven door een onverwoestbare kracht werd voortgestuwd- een kracht die India de vrijheid bracht.

Moeder Teresa was zevenenveertig toen ze voor het eerst in de straten van Calcutta neerknielde om een stervende man te helpen. Ook zij had één zeer grote gave te bieden -haar mededogen, haar niet- aflatende zorgzaamheid.

Ook zij richtte haar hele leven op die ene kwaliteit en verrichtte zo uiteindelijk de wonderen die haar tot een levende heilige maakten.
Ze had niets van tevoren bedacht of gepland, maar bekommerde zich gewoon om de eerste mens die zij tegenkwam, en toen de volgende, en de volgende...

Uit: Crisis en het wonder van de liefde.
Omgaan met verandering en tegenslag in elke levensfase.
Mansukh Patel en Helena Waters.
Uitgeverij: Ankh-Hermes, Deventer.

Terug naar boven

Als dat wat toeval lijkt je dreigt te vellen

Als dat wat toeval lijkt je dreigt te vellen,

Accepteer dan dat het leven vol toeval zit

En dat ieder toeval niet toevallig is.

Alle toeval heeft zijn plaats in je leven.

Leer en ga verder.

Laat los!

Laat God!

Terug naar boven

Leed onder ogen zien

Ten tijde van de Boeddha stierf het enige kind van een vrouw die Kisagotami heette.
Ze was niet in staat dit te accepteren en rende van de een naar de ander om een medicijn te zoeken dat haar kind weer tot leven zou brengen.
Men zei dat de Boeddha zo’n medicijn had.

Kisagotami ging naar de Boeddha, knielde voor hem, en vroeg: “Kunt u een medicijn maken dat mijn kind weer tot leven wekt?”
“Ik ken zo’n medicijn,” antwoordde de Boeddha.
“Maar ik kan het alleen bereiden met bepaalde ingrediënten.”
De vrouw was opgelucht en vroeg: “Welke ingrediënten hebt u nodig?”
“Breng me een handvol mosterdzaad, “ zei de Boeddha.
De vrouw beloofde dat voor hem te halen, maar toen ze wegliep, voegde hij eraan toe: “Ik heb mosterdzaad nodig uit een huis waar geen kind, man of vrouw, ouder of bediende is gestorven.”

De vrouw stemde toe en begon alle huizen een voor een langs te gaan, op zoek naar mosterdzaad.
Bij elk huis waren mensen bereid haar het zaad te geven, maar wanneer ze hun vroeg of er iemand in het gezin was gestorven, kon ze geen huis vinden dat niet door de dood was bezocht—in het ene huis was een kind overleden, in het andere een bediende, en in de overige een man, vrouw of ouder.
Kisagotami slaagde er niet in een huis te vinden waar de dood geen leed had veroorzaakt.

Toen de moeder zag dat zij niet de enige was die verdriet had, legde ze het levenloze lichaam van haar kind neer en ging terug naar de Boeddha, die met groot mededogen zei: “U dacht dat alleen u een kind had verloren; de wet van de dood luidt dat bij alle levende wezens niets blijvend is.”

Kisagotami’s speurtocht leerde haar dat niemand in het leven ontkomt aan lijden en verlies.
Ze was niet speciaal “uitgekozen” voor dit vreselijke ongeluk.
Dit inzicht nam het leed dat onvermijdelijk voortvloeit uit een verlies niet weg, maar het verminderde wel het lijden dat werd veroorzaakt door haar strijd tegen dit droevige maar onontkoombare feit.
Hoewel mensen over de hele wereld dezelfde pijn en hetzelfde leed ervaren, betekent dat niet dat we ons daar gemakkelijk bij neerleggen.

En toch? Leest u deze woorden nog maar eens over als u getroffen bent door groot leed, door pijn over ziekte of overlijden.
Misschien vindt u wat troost, wat verlichting, een beetje minder pijn en vertwijfeling.

Het is niet alleen de Boeddha die dit soort wijsheden heeft uitgesproken, Jezus van Nazareth deed dat ook, met name in de Bergrede die Hij hield ten noorden van het Meer van Galilea:

Zalig de armen van geest, want aan hen behoort het Rijk der Hemelen.
Zalig de treurenden, want zij zullen getroost worden.
Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen het land bezitten.
Zalig die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.
Zalig de barmhartigen, want zij zullen God zien.
Zalig die vrede brengen, want zij zullen kinderen van God genoemd worden.
Zalig die vervolgd worden om de gerechtigheid, want hun behoort het Rijk der Hemelen.
Zalig zijt gij, wanneer men u beschimpt, vervolgt en lasterlijk van allerlei kwaad beticht om Mijnentwil: verheugt u en juicht, want groot is uw loon in de Hemel. Zo hebben ze de profeten vervolgd die voor u geleefd hebben.

Woorden van hoop, van troost, van mededogen als u groot lijden en onrechtvaardig leed ten deel valt.
Weet dat er altijd weer een nieuwe dag aanbreekt, de zon weer opkomt, de kans op nieuw geluk daar is, ook al lijkt alles verloren, uw leven aan duigen, de ellende te groot.
En uiteindelijk, als sterven u onvermijdelijk treft, is daar van over de grens van dit aardse leven een hemels paradijs dat wacht, op u, op mij, op ons allen, mensen van goede wil!

Rik Bronkhorst.

Terug naar boven

Woede en Haat

Globaal genomen zijn er veel verschillende soorten schadelijke of negatieve emoties, zoals verwaandheid, arrogantie, jaloezie, begeerte, lust, kortzichtigheid, hebzucht en ga zo maar door.
Maar van al die emoties worden haat en woede beschouwd als de grootste boosdoeners, omdat ze de grootste obstakels vormen voor het ontwikkelen van mededogen en altruïsme, en ze verwoesten je deugdzaamheid en gemoedsrust.
Als we denken aan woede, kunnen we twee soorten onderscheiden. Eén soort woede is positief. Dit is dan voornamelijk te danken aan je motivering. Er kan sprake zijn van woede die is ingegeven door mededogen of verantwoordelijkheidsgevoel. Wanneer woede voortkomt uit mededogen, kan zij worden gebruikt als aanzet tot of een katalysator zijn voor een positieve daad. Onder zulke omstandigheden kan een menselijke emotie als woede zorgen voor de kracht om snel tot actie over te gaan. Zij creëert een vorm van energie die iemand in staat stelt snel en besluitvaardig te handelen. Het kan een krachtige motiverende factor vormen. Dat soort woede kan soms dus positief zijn.

Hoewel sommige vormen van woede onder zeldzame omstandigheden positief kunnen zijn, leidt woede over het algemeen tot kwaadwilligheid en haat. En wat haat betreft, dat is nooit positief. Er zitten geen voordelen aan. Haat is overal en altijd negatief.

We kunnen woede en haat niet simpelweg overwinnen door ze te onderdrukken. We moeten daadwerkelijk de vormen van tegengif voor haat ontwikkelen, namelijk geduld en tolerantie. Wanneer je je bezighoudt met het oefenen van geduld en tolerantie, voer je eigenlijk een strijd tegen haat en woede. Het zal een zware strijd zijn, je kunt die strijd verliezen, je zult vele problemen het hoofd moeten bieden. Maar iemand die door middel van een positieve levenshouding geduld en tolerantie ontwikkelen kan, overwint de haat en de woede.

De destructieve gevolgen van haat zijn duidelijk zichtbaar; je ziet en merkt het meteen. Wanneer er bijvoorbeeld een zeer sterke of gewelddadige gedachte van haat in je opkomt, word je daar, op dat moment, totaal door overweldigd en blijft er niets van je gemoedsrust over; je tegenwoordigheid van geest verdwijnt compleet. Wanneer zulke intense woede en haat naar boven komt, sloopt dat het beste deel van je hersenen, namelijk je vermogen goed van kwaad te onderscheiden en in te schatten wat de langetermijn- en kortetermijngevolgen van je daden zijn. Je vermogen om te oordelen wordt volledig lamgelegd; het kan niet langer functioneren. Het lijkt haast wel of je krankzinnig bent geworden. Door die woede en haat beland je dus vaak in een opperste staat van verwarring, wat je problemen en moeilijkheden alleen nog maar erger maakt.

In sommige gevallen koesteren mensen sterke gevoelens van haat en verdriet ten gevolge van iets wat hen in het verleden is aangedaan.
Dat gevoel kropt zich op. Sommige westerse therapieën verkondigen om alle haat en woede er maar uit te laten komen. Gecontroleerd natuurlijk, dat wel. Maar ik, zegt de Dalai Lama, ben van mening dat woede en haat in het algemeen tot de emoties behoren die, als je ze niet in toom houdt of er geen aandacht aan besteedt, dikwijls erger worden en alsmaar toenemen.
Als je simpelweg steeds meer gewend raakt aan het feit dat die emoties voorkomen en ze ook gewoon blijft uiten, heeft dit meestal tot gevolg dat zij in kracht toenemen. Niet afnemen.
Ik denk dus, dat hoe omzichtiger je ermee omgaat en hoe actiever je probeert hun invloed terug te dringen, hoe beter het is.

Hoe kun je dan wel omgaan met haat en woede?

Allereerst komen gevoelens van woede en haat voort uit een geest die wordt gekweld door ontevredenheid en ongenoegen. Je kunt dus voorbereidingen treffen door constant te werken aan het opbouwen van innerlijke tevredenheid en mededogen. Dit zorgt voor een zekere gemoedsrust die op zich al woedeuitbarstingen kan voorkomen. En wanneer er dan iets gebeurt waardoor je kwaad wordt, moet je je woede direct onder ogen zien en analyseren. Kijk welke factoren debet zijn aan die specifieke uitbarsting van woede of haat. Ga daarna verder met je analyse en kijk of het een gepaste reactie is en in het bijzonder of het constructief of destructief werkt. En je doet een poging een zekere innerlijke discipline en terughoudendheid aan de dag te leggen. Je stort je direct in de strijd tegen je woede en haat door tegengif toe te dienen: je gaat je negatieve emoties te lijf met gedachten van geduld en tolerantie.

Als je eraan werkt woede en haat te overwinnen, kun je in het begin natuurlijk nog steeds deze negatieve emoties ervaren. Maar er zijn verschillende niveaus; als het om een lichte vorm van woede gaat, kun je op dat moment trachten haar direct onder ogen te zien en te bestrijden. Als het echter om een hele krachtige negatieve emotie gaat, kan het op dat moment buitengewoon moeilijk zijn haar aan te vechten, of onder ogen te komen. Als dat het geval is, is het op dat moment misschien het beste om te proberen alles te vergeten. Denk aan iets anders. Ga iets anders doen. Zodra je geest enigszins tot rust is gekomen, kun je analyseren; je kunt dan weer logisch nadenken.

Als we woede en haat willen elimineren, is het bewust ontwikkelen van geduld en tolerantie onvermijdelijk.
Woede wekt woede op. Als we woede niet bedwingen, dreigt zij uit de hand te lopen.

De Dalai Lama in "De kunst van het geluk".
Uitgeverij Nirwana.

Terug naar boven

Efeziërs 5 vers 8-14

Leef als mensen van het Licht.
Want alleen in het Licht rijpen goedheid, gerechtigheid en waarheid.
Probeer te ontdekken wat de Heer graag wil. Doe niet mee met de onvruchtbare praktijken van hen die de duisternis toebehoren; meer nog: stel ze aan de kaak.
Want wat zij heimelijk uitvoeren, is zo schandelijk dat er geen woorden voor zijn.
Maar wanneer al die dingen aan de kaak worden gesteld, komt hun ware aard aan het licht.
En alles wat aan het licht komt, is zelf Licht.

Terug naar boven

Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen last..........

Verzamel voor jezelf geen schatten op aarde: mot en roest vreten ze weg en dieven breken in om ze te stelen.
Verzamel schatten in de hemel, daar vreten mot noch roest ze weg, daar breken geen dieven in om ze te stelen.
Waar je schat is, daar zal ook je hart zijn.......

Het oog is de lamp van het lichaam. Dus als je oog helder is, zal heel je lichaam verlicht zijn. Maar als je oog troebel is, zal er in heel je lichaam duisternis zijn. Als het licht in jezelf verduisterd is, hoe groot is dan die duisternis!

Niemand kan twee heren dienen: hij zal de eerste haten en de tweede liefhebben, of hij zal juist toegewijd zijn aan de ene en de andere verachten.
Jullie kunnen niet God dienen en de Mammon.

Daarom zeg ik jullie: maak je geen zorgen over jezelf en over wat je zult eten of drinken, noch over je lichaam en over wat je zult aantrekken.
Is het leven niet meer dan voedsel en het lichaam niet meer dan kleding?

Kijk naar de vogels in de lucht: ze zaaien niet en oogsten niet en vullen geen voorraadschuren, het is jullie hemelse Vader die ze voedt.
Zijn jullie niet meer waard dan zij?
Wie van jullie kan door zich zorgen te maken ook maar één el aan zijn levensduur toevoegen?
En wat maken jullie je zorgen over kleding?
Kijk eens naar de lelies, kijk hoe ze groeien in het veld.
Ze werken niet en weven niet.
Ik zeg jullie: zelfs Salomo ging in al zijn luister niet gekleed als een van hen.

Als God het groen dat vandaag nog op het veld staat en morgen in de oven gegooid wordt al met zo veel zorg kleedt, met hoeveel meer zorg zal Hij jullie dan niet kleden, kleingelovigen?
Vraag je dus niet bezorgd af: "Wat zullen we eten? of: wat zullen we drinken? of: waarmee zullen we ons kleden?"
Dat zijn allemaal dingen die de heidenen najagen.

Jullie hemelse Vader weet wel dat jullie dat alles nodig hebben.
Zoek liever eerst het Koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan zullen al die andere dingen je erbij gegeven worden.
Maak je dus geen zorgen voor de dag van morgen, want de dag van morgen zorgt wel voor zichzelf.

Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen last........

Aldus de wijze woorden van Jezus van Nazareth volgens Mattheüs.

Terug naar boven

Het Onze Vader vertaalt uit het Aramees

Bron van Zijn, die ik ontmoet in wat mij ontroert,
Ik geef u een naam omdat ik u een plaats kan geven in mijn leven.
Bundel uw Licht in mij, maak mij nuttig.
Vestig uw rijk van eenheid nu.
Uw enige verlangen handelt dan samen met het onze.
Voed ons dagelijks met brood en met inzicht.
Maak de koorden van de fouten los die ons vastbinden aan het verleden.
Opdat wij ook anderen hun misstappen kunnen vergeven.
Laat oppervlakkige dingen ons niet misleiden.
Uit u wordt geboren:
De afwerkzame wil.
De levende krachten om te handelen.
En het lied dat alles verfraait.
En zich van eeuw tot eeuw vernieuwt.

Terug naar boven

Problemen

Niemand ontkomt er aan: problemen!!
Problemen kunnen zelfs zo erg worden ervaren, dat u of ik erin dreigt te verdrinken.
De problemen of het probleem laten u niet meer los.
Malen, steeds weer denken aan de moeilijkheden die u ondervindt, er lijkt niets meer met uw leven aan te vangen.
Al uw denken wordt in beslag genomen door "het probleem".

Dit zegt de Dalai Lama erover:
Wanneer zich problemen voordoen, lijkt het vaak alsof we onze blik vernauwen. We steken mogelijk al onze aandacht in het piekeren over het probleem en misschien het gevoel dat wij de enigen zijn die zulke moeilijkheden moeten doorstaan. Dit kan ertoe leiden dat we alleen nog maar met onszelf bezig zijn, waardoor het probleem buitengewoon intens kan worden. Wanneer dit gebeurt, kun je er, denk ik, beslist baat bij hebben als je de dingen in een breder perspectief plaatst-- dat je je bijvoorbeeld realiseert dat er tal van andere mensen vergelijkbare ervaringen hebben gehad--, en zelfs nog ergere dingen. Als je maar naar één gebeurtenis kijkt, lijkt die in omvang toe te nemen. Maar als je vergelijkingen maakt, je eigen situatie vanuit een andere invalshoek kunt bezien, verandert er iets.

Ik voeg daaraan toe:
Deze gewoonte om dingen van een andere kant te bekijken, kan zelfs helpen bij bepaalde ziekten of wanneer we zielenpijn lijden. Als de zielenpijn opkomt valt het niet mee om te gaan mediteren of zelfs maar te bidden.Soms zijn we zo ontredderd dat niets er meer toe schijnt te doen. Dan kan het bovenstaande helpen om e.e.a. weer in een wat ruimer perspectief te zien.

Gedurende de Vietnamoorlog werden we dagelijks overspoeld met (kleuren)foto's van oorlogsslachtoffers. Soldaten of burgers die zwaar gewond, ontredderd, in de camera staarden. Sommigen konden dat zelfs niet meer, zwaar verminkt en overleden.
Bij ernstige tegenslag of als ik een pijnlijke medische ingreep moest ondergaan haalde ik mij deze verschrikkelijke foto's voor de geest.
En echt, de pijn, de angst, het gevoel alleen te staan met deze ellende, werd minder.
Voor foto's van oorlogsslachtoffers hoeven we niet in de archieven te duiken, we krijgen ze bijna dagelijks onder ogen.
Probeer als je probleem te intens, te groot, te overheersend dreigt te worden, enige rust te vinden door gebed en door uw probleem in een groter kader te zien, lees wat de Dalai Lama zegt er nog maar eens over na.
En als het u lukt en gegeven is praat er dan over met een vertrouwd persoon.
Ook het delen van problemen helpt.
Gedeelde smart is toch halve smart!! Ook al lijkt er soms geen einde aan te komen.

Rik Bronkhorst.

Terug naar boven

Besef hoe rijk je bent

Of je nu ziek of gezond bent, of je onbehagen zich nu uit in je lichaam of je geest, er ligt altijd een waar verhaal voor je. Het verhaal gaat over een verborgen schat, het doet je beseffen hoe rijk je bent, het is een uitnodiging om de erfenis die je toebehoort op te eisen. Kun je je herinneren over welke overvloed ik het heb, over welke schat? Het kostbaarste kleinood dat lang geleden in je binnenste is gelegd. Ongezien en toch onweerstaanbaar – het is je kern, degene die zij aan zij met je loopt ook al verbeeld je je dat je alleen bent. Kun je dit voelen?

Misschien heb je onder het lezen al de vage gewaarwording dat het zich roert in een zachte vochtigheid die opwelt in je mond, of in het gefluister in de oude taal die diep in je buik wordt gesproken. Je kent die klanken, het zijn de klanken die oprijzen uit de opening waar je ribben uiteenwijken of misschien de klanken die voortkomen uit een fluisterend briesje dat midden in de nacht je oren vult als de slaap je verlaat en je plotseling tot waakzaamheid wordt geroepen. Het is je oude vriend, een bondgenoot die je je hele leven al vergezelt. Misschien wordt het tijd dat beiden de kennismaking hernieuwen en samen in een nieuwe hoedanigheid de wereld intrekken.

Want helaas in het proces dat opgroeien heet, heeft de mensheid geleerd deze ingeboren aanwezigheid te vergeten. Vaak verblijven we in een soort levenstrance, soms worden we eruit losgescheurd, door omstandigheden die ons vertrouwde leventje overhoop halen en ons terugwerpen op onszelf. Dat losscheuren hoort bij het leven. Soms staat het vermomd als een ziekte, soms als het verbreken van oude relaties, als het verlies van dierbaren, of als abrupte gebeurtenissen op middelbare leeftijd die (zou je kunnen gaan denken) ons bijna geen andere keus laten dan geïsoleerd en wanhopig achter te blijven of… juist onze kans te grijpen en langzaam te beginnen onze harde, beschermende schil te verwijderen. Geen van ons ontsnapt aan deze afrekening in het leven. Op een of andere manier worden we onontkoombaar vaak meerdere malen in ons leven de diepte ingetrokken. Ook op die punten hebben we de kans te ontdekken of te herinneren dat we een innerlijke pracht en kracht hebben en zal ons leven zich dan binnenste buiten gaan keren. Juist dan is het ook wederom een kans om te ontdekken wat duurzaam en blijvend is en gaan we langzamerhand die kwaliteit in de dagelijkse beslommeringen van ons leven vorm geven.

Bron het boek: 'Het wonder van genezing' van Saki Santorelli

Saki Santorelli is verbonden aan het Center for Mindfullness, Medicine and Health Care van de University of Massachusetts.

Terug naar boven

Over lijden en Job

Is lijden altijd straf voor verkeerd gedrag, voor zonde, of lijden mensen ook onschuldig?
En als mensen onschuldig lijden, waarom laat God dat dan toe?
Een stukje uit het verhaal van Job:

Om kort tegaan, Job had alles wat een mens kan begeren, dan verliest hij alles door toedoen van de Satan.
Het kwaad slaat toe op alles wat Job goed stemde.
Zijn bezit wordt hem afgenomen, zijn huis stort in en al zijn tien kinderen komen te overlijden, hijzelf wordt overdekt met vreselijke zweren.
Tot overmaat van ramp roept zijn vrouw honend naar hem: "Dat hij alles wat God hem aandoet, zwijgend over zich heen laat komen".
En Job antwoordt haar: "Het goede nemen we wel aan van God, waarom het kwade dan niet?"
Weer klaagt Job niet. Er komt geen onvertogen woord over zijn lippen.

Drie vrienden van Job horen wat hem allemaal is overkomen. Ze gaan naar hem toe.
Ze scheuren, naar oud gebruik, hun kleren en gaan eerst zeven dagen zwijgend naast hem zitten.
Ze zien hoe groot het lijden van Job is.
Dan klaagt Job voor het eerst.
Hij vervloekt zijn bestaan en betreurt dat hij ooit geboren is.
Wat heeft een mens aan zijn leven als het van ellende aan elkaar hangt?

Dan nemen zijn vrienden een voor een het woord en ze proberen Job aan te praten dat het allemaal zijn eigen schuld moet zijn.
God is rechtvaardig en Hij straft een mens niet als die zelf daartoe geen aanleiding heeft gegeven.
Dat zeggen ze tegen Job.
Job verweert zich heftig. Hij heeft geen kwaad gedaan en toch is zijn lijden ondraaglijk.
Hij geeft toe, dat geen mens geheel en al onschuldig is ten opzichte van God-iedereen schiet weleens te kort-.
Maar hij heeft door zijn daden niet verdiend wat hem nu allemaal is overkomen.

Terwijl hij eerst alles gelaten over zich heen heeft laten komen, is Job nu, na de woorden van zijn vrienden, behoorlijk opstandig.
En hij gaat tekeer tegen God. Job voelt zich niet goed behandeld.
Job is ook kwaad op zijn vrienden, die hem zogenaamd kwamen troosten.
Van je vrienden moet je het maar hebben, denkt Job.
Hij is echt onschuldig! Maar zijn vrienden moeten zonodig partij voor God trekken.
In zijn verweer trekt hij ook een zwart beeld van het leven van de mens op aarde.
Leven is lijden.

En dan gaat God met Job in discussie.
God laat Job Zijn grootheid zien en de kleinheid van de mens, Job.
En dan vraagt God aan Job of hij nog een laatste woord tot God wil spreken.
Maar Job ziet als gelovig man zijn eigen kleine menszijn.
Hij klaagt niet meer. Zo heeft het moeten zijn.
En God reikt Job de hand.
Want na alles wat Job heeft meegemaakt zorgt God ervoor, dat het Job weer goed gaat.
Hij wordt weer welvarend, hij krijgt weer tien kinderen en hij sterft pas op hoge leeftijd, zodat hij zijn kleinkinderen heeft mogen zien.

Terug naar boven

Tao van Poeh, van Benjamin Hart

Bij de kloof van Lu stort de grote waterval zich honderden meters in de diepte; de nevel van fijne waterdeeltjes die er boven hangt is kilometers ver zichtbaar. In het kolkende water beneden is nooit een levend wezen te zien. Op zekere dag stond K'oen Foe-tse op enige afstand van de oever, toen hij plotseling een oude man zag, die in het woelige water heen en weer werd geslingerd. Hij riep zijn volgelingen en gezamenlijk renden zij naar de waterkant om de drenkeling te redden. Maar tegen de tijd dat ze daar aankwamen was de oude man al op de oever geklauterd, en liep, voor zich heen neuriend, weg. K'oen Foe-tse haastte zich naar hem toe. 'U zou een geestverschijning moeten zijn om zoiets te overleven,' zei hij, maar u schijnt toch een mens te zijn. Wat voor geheime krachten bezit u?" ' Niets bijzonders" antwoordde de oude man. ' Ik ben begonnen het te leren toen ik nog heel jong was en bleef oefenen in de jaren dat ik opgroeide. Nu ben ik zeker van het welslagen. Ik ga de diepte in met het water en kom weer boven met het water. ik volg het en vergeet mijzelf. Ik breng het er levend van af omdat ik mij niet verzet tegen de overmacht van het water. Dat is alles.

Toevoeging in het boek:
Wanneer we leren werken met onze eigen innerlijke aard en met de natuurwetten die rondom ons werkzaam zijn, bereiken we het niveau van Woe Wei...... Fouten worden gemaakt - of ingebeeld - door de mens, het schepsel met het overbelaste brein dat zich afscheidt van het weefsel van ondersteunende natuurwetten doordat hij zich overal mee bemoeit en altijd zoveel moeite doet.

Tegenwoordig heet dat "Go with the flow". Of met andere woorden: neem het leven zoals het komt......

Terug naar boven

Uit 'De Meesters van het Verre Oosten'

'De goede herder weet de plaatsen, waar het goed is voor zijn schapen, vandaar: Mij zal niets ontbreken. Met David kunnen wij zeggen: 'Mij kan niets ontbreken', want IK-BEN wordt behoed tegen elk kwaad. In iedere behoefte van de stoffelijke natuur wordt voorzien. Niet alleen zullen de schapen in groene weiden grazen, maar er zal een overvloed overblijven. Wij kunnen ervan verzekerd zijn, dat voor de vervulling van iedere wens al gezorgd is. Wij kunnen alle vermoeidheid opzij zetten en met David zeggen: 'Hij doet mij nederliggen in grazige weiden. Hij voert mij zachtkens aan zeer stille wateren.' Hun stille blauwe diepten vervullen ons gemoed met een grote vrede en ons opgejaagd bewustzijn komt tot rust'.

'Wanneer lichaam en geest rustig zijn, doorstroomt de hemelse inspiratie van het Allerhoogste Principe onze ziel met het zuivere licht van leven en kracht. Het licht binnenin ons schijnt met de heerlijkheid des Heren, de Wet, die ons allen verenigt. Dit stralende licht des Geestes hernieuwt ons inzicht, ons ware Zelf wordt ons geopenbaard, zodat wij onszelf zien als één met het Oneindige en weten, dat elk van ons uitgezonden wordt van het Vader-Principe om Zijn volmaaktheid tot uitdrukking te brengen. In de rustige stilte van onze ziel herwinnen wij ons zuivere zelf en weten, dat wij volmaakt zijn; vandaar de woorden: 'Hij verkwikt mijn ziel, al ga ik ook in het dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen'. Wat zouden wij vrezen bij de overvloedige goedheid van dit Gods-principe? Hier vinden wij rust voor ons lichaam, God geeft vrede voor onze geest en onze ziel, God geeft ons de inspiratie om te kunnen dienen. En welke uiterlijke beproeving zou ons bij zult een volmaakte voorbereiding van binnen uit kunnen vervullen met vrees, dat iets kwaad ons kan deren? God woont binnenin ieder van ons, voor elkeen is Hij een steeds aanwezige bron van hulp in moeilijkheden en gevaar. IN Hem leven, bewegen en ademen wij. Eenstemmig zeggen wij: Alles is Goed'.

'Iedereen kan zeggen: 'Gods liefde leidt mij rechtstreeks naar de kudde. Het juiste pad wordt mij getoond en mij wordt erop gewezen, als ik afdwaal van de kudde. De kracht van Gods liefde trekt het goede voor mij aan en zo wordt al het kwade voor mij buitengesloten'. Met David kan een ieder zeggen: 'Gij zijt met mij, Uw staf en Uw stok, die vertroosten mij'.

Een stukje uit het boek: De Meesters van het Verre Oosten - Baird T. Spelling

Terug naar boven

Uit 'Jezus Sirach'

Kind, als je aankomt om de Heer te dienen, bereid dan je ziel voor op beproeving.
Houd je hart in het spoor en volhard, laat je niet opjagen in een tijd van tegenwind.
Hecht je aan Hem, neem geen afstand, daar word je in je laatste dagen méér van.
Alles wat je wordt toegebracht, ontvang het en heb lange adem in de wisselvalligheden van je vernedering.
Want goud wordt gelouterd door vuur en welaangename mensen in de oven der vernedering.

Jezus Sirach. (Jezus ben Sira).
(190 voor Christus)


Terug naar boven


Kerken in Keistad is een programma van de Raad van Kerken Amersfoort.

Klik hier om terug te gaan naar de hoofdpagina.